Nummer 11-12: November-December 2009 - De zaak Zwarte Piet

De zaak Zwarte Piet
Vraagtekens bij het hulpje van Sinterklaas

Tekst: Marianne Lamers

PIET_2_scan_Schenkman-LR-kleinSinterklaas en Zwarte Piet: voor generaties autochtone Nederlanders was (en is) het een onlosmakelijk duo, met een heldere rolverdeling. Maar sinds ‘zwarten’ een belangrijke groep binnen de bevolking zijn geworden, ligt vooral de rol van Piet onder vuur.

Het begint een vast decemberritueel te worden: een (doorgaans Surinaamse) actiegroep stuurt een manifest de wereld in tegen het racistische karakter van de Zwarte-Piettraditie – en prompt regent het ingezonden brieven van autochtonen, die protesteren tegen de aantasting van eeuwenoud cultuurgoed.
Maar op de ouderdom van die traditie valt eerlijk gezegd wel wat af te dingen. In de 19de eeuw bedachten volkskundigen weliswaar dat Sinterklaas eigenlijk de christelijk vermomde bebaarde Germaanse oppergod Wodan was, die volgens de oeroude mythen op zijn schimmel over de wolken reed; Zwarte Piet zou dan ‘afstammen’ van de rumoerige geesten die Wodan in die verhalen vaak begeleidden. Maar sceptische moderne historici zien geen spoor van bewijs voor een traditie sinds het begin van onze jaartelling. Wel werd vanaf pakweg de 16de eeuw in volksverhalen en prenten de weldoende Sinterklaas soms begeleid door schrikaanjagende figuren: heksen of woeste mannen met hoorntjes, soms uitgerust met een roe en zak. Historici sluiten niet uit dat we in die sprookjesachtige figuren door de heilige Nicolaas ‘geknechte’ duivels mogen zien. In middeleeuwse Amsterdamse processies liepen immers ook ‘enghelthens’ en ‘duyveltgens’ mee, waarvan de laatsten ook wel als ‘nickertgens’ werden beschreven.
Zeker is echter dat de Zwarte Piet zoals wij hem kennen pas in de 19de eeuw ten tonele werd gevoerd. En wel in 1850, door de Amsterdamse schoolmeester Jan Schenkman, in zijn prentenboek Sint Nikolaas en zijn knegt. De nog naamloze knecht in dat boek (pas tegen 1900 heet hij steeds vaker Piet) is zwart en draagt een kleurrijk pagepakje. Onderzoekster Eugenie Boer-Dirks vermoedt dat Schenkman zich liet inspireren door de zwarte bedienden, die (al dan niet naar de werkelijkheid) als ‘statussymbolen’ te zien waren op 17de- en 18de-eeuwse portretten van rijke Amsterdamse kooplieden en andere hoogmogenden. Bij Schenkman is de zwarte knecht nog een vriendelijke figuur, maar na 1900 wordt hij steeds vaker neergezet als boeman of als de primitieve gitzwarte domoor die de Nederlanders al kenden uit kinderboeken en de bedelpreken van hun missionarissen en zendelingen.

Nageroepen als Zwarte Piet
Begin jaren zestig van de afgelopen eeuw werden de eerste vraagtekens gezet bij het fenomeen Zwarte Piet – allereerst door blanke Nederlanders. De bezwaren richtten zich aanvankelijk vooral tegen de bangmakerij van kinderen. Nationale sensatie was het dan ook dat tv-Sinterklaas Adrie van Oirschot in 1964 de zak-voor-stoute-kinderen demonstratief in zee wierp. Dezelfde Sint schafte de roe af en verbood zijn Pieten krom te praten. In plaats van als ‘kinderschrik’ kregen de Pieten een meer clowneske rol toebedeeld.
Een van de allereersten die expliciet wees op het raciale aspect, was de Amsterdamse M.C. Grünbauer, die in 1968 haar Witte Pietenplan lanceerde, duidelijk geïnspireerd op het Witte Fietsenplan van de Provobeweging. Hoewel de slavernij al een eeuw is afgeschaft, klaagde zij tegenover Panorama, “blijven wij maar doorsukkelen met het oude traditie de neger als slaaf voor te stellen. De machtige Blanke Meester zit op zijn schimmel of zijn troon. Piet moet lopen of zware zakken sjouwen en hij mag naast de troon op een krukje zitten aan de voeten van de baas.” Veel bijval kreeg zij niet.
Maar met het groeien van de migrantenstroom, vooral na de onafhankelijkheid van Suriname in 1975, zwol het protest weer aan. Veel Surinamers die in hun geboorteland vaak nog argeloos Sint en Piet hadden toegezongen, werden in het blanke Nederland pijnlijk geconfronteerd met hun ‘anders zijn’.
Barryl Biekman, voorzitter van het Landelijk Platform Slavernijverleden, kan zich nog goed herinneren hoe ze in Nederland in 1976 haar zoon van vier ophaalde van school: “Hij moest heel erg huilen, omdat hij bang was dat andere kinderen mij zagen als Zwarte Piet. Daar ben ik heel erg van geschrokken.” Later hoorde zijn veel andere verhalen van Surinamers die met “Hee, Zwarte Piet!" werden nageroepen. In de jaren tachtig begon Biekman haar moeizame strijd tegen het Sinterklaasfeest – en dat heeft ze geweten: “Ik kwam aan een heilig huis! Ik weet nog dat ik een interview gaf op Radio West en ik door luisteraars compleet werd afgemaakt!”
Alles in de huidige traditie symboliseert volgens Biekman de superieure positie van de Sint: “De Sint is blank en een goedheiligman, deelt snoep uit en is intelligent, want leest in een boek. Zwarte Piet is een dommige, lullige clown die met zijn grote dikke lippen niets anders dan een neger voorstelt.”

Tweede Kamer geeft geen sjoege
Pas in 1993 kregen de acties tegen Zwarte Piet heel even resultaat. Tijdens de officiële Amsterdamse Sinterklaasintocht van Sinterklaas liepen naast zwarte ook groene, blauwe en paarse Pieten rond. Maar de reacties waren meewarig of boos en het jaar daarop waren de Pieten weer zwart. De strijd ging ondertussen gewoon door. In Amsterdam werd in 1994 het Actiecomité Zwarte Piet=Zwart Verdriet opgericht. In de Bijlmermeer organiseerde het comité demonstraties en ‘anti-racistische Sinterklaasfeesten’. In 1997 werden 1200 handtekeningen voor een Zwarte-Pietverbod aangeboden aan de onderwijswethouder van Zuidoost en de organiserende winkeliers vereniging liet dat tijdens de Bijlmerintocht van Sinterklaas alleen maar Bonte Pieten meelopen. Maar ook nu reageerden de toeschouwers zó negatief dat het bij één keer bleef.
In 1998 stuurde het stadsdeel aan de vijftien openbare basisscholen in Zuidoost een ‘Sint-Nicolaascode´. Die schreef voor dat Zwarte Piet geen dikke lippen, kroeshaar of oorringen meer mocht hebben. Ook krom praten en onderdanigheid waren voortaan uit den boze en bepaalde liedjes (“Ook al ben ik zwart als roet/ik meen het toch goed”) mochten niet meer gezongen worden. Dit alles opdat “zwarte kinderen en hun ouders zich niet meer gekwetst zouden hoeven voelen.”
De VN-conferentie tegen racisme in 2001 in het Zuid-Afrikaanse Durban en de onthulling van het Nationaal Monument Slavernijverleden in het Oosterpark in 2002 sterkten tegenstanders van het Sinterklaasfeest in hun strijd. Biekman, initiatiefneemster voor het monument: “In Durban werd het Sinterklaasfeest aangemerkt als een overblijfsel uit een wit koloniaal verleden, waarin de zwarte mens op een stereotype manier wordt neergezet. En het monument was een officiële erkenning van de Nederlandse overheid van haar slavernijverleden.” Bemoedigd boden tien anti-racistische organisaties in 2003 aan Tweede Kamerleden een petitie Afschaffing Zwarte Piet aan. En er gebeurde weer niks.
Maar Biekman geeft niet op. “Het leeft nog heel erg, zeker onder nazaten van de tot slaaf gemaakten.” Met het Landelijk Platform Slavernijverleden probeert ze nu het Nederlands Juristen Comité Mensenrechten te kunnen overreden het Sinterklaasfeest aan te merken als een ideologisch overblijfsel van het slavernijverleden. “We zijn al lang geen wit land meer. Integratie moet van beide kanten komen.”

Scholen ontvingen dreigbrieven
Een belrondje leert dat de meeste Amsterdamse basisscholen het feest anno 2009 nog steeds traditioneel vieren. Alleen in de Bijlmer doen enkele scholen dat met gekleurde Pieten. Op openbare basisschool De Blauwe Lijn doen ze dat al sinds 1981.
Toch was De Blauwe Lijn vorig jaar één van de negen basisscholen in Zuidoost die een anonieme dreigbrief ontvingen. Scholen die Zwarte Pieten toelieten zouden in brand worden gestoken. Ook oecumenische basisschool Onze Wereld, die het feest nog met Zwarte Pieten viert, kreeg zo’n brief. Adjunct-directeur Ans van Wel was niet onder de indruk: “We krijgen ieder jaar dreigbrieven. Ik kan me nog herinneren dat de school helemaal vol was geplakt, maar we laten ons niet intimideren. De manier waarop wij het vieren, zien we niet als discriminerend.” In 1997 probeerde de school het een keer met gekleurde Pieten, maar “de kinderen schrokken er heel erg van.” Evangelische basisschool Crescendo, even verderop, houdt al sinds haar opening alleen Pakjesdag, zonder Pieten en zonder Sint. Directeur Glenn Lashley: “Kinderen vinden het net zo leuk.”
Maar in Zeeburg, Bos en Lommer en Nieuw-West voelt men weinig voor moderne fratsen. “Het slaat nergens op!”, vindt conciërge Dick Prinsen van de openbare Flevoparkschool. “Ik denk bij Zwarte Piet niet aan een zwart mens.” Het merendeel van de allochtone schoolkinderen in deze stadsdelen heeft geen enkel probleem met Zwarte Piet. In tegendeel zelfs, suggereert Ruud Jansen, directeur van de Burgemeester De Vlugtschool in Geuzenveld: “We hebben veel Turken en Marokkanen. Die vinden het wel leuk dat er negers voor de gek worden gehouden.”
Ook op de Sint-Henricusschool in Slotermeer levert het klassieke Sinterklaasfeest geen enkel probleem op. Directeur Michel d’Arnault: “Van Surinaamse collega’s hoor ik ook nooit enige wanklank. Men kan het heel goed plaatsen in de traditionele zin. Hij is zwart omdat hij door de schoorsteen gaat.”