Nummer 11-12: November-December 2009 - Van Nikolaos tot Sinterklaas

Van Nikolaos tot Sinterklaas
De heilige, zijn legenden en zijn Amsterdamse kerken

Tekst: Peter-Paul de Baar

nikolaos_1_kopie-LR-klein

Heeft die Sint-Nicolaas echt bestaan? Wat voor een man was hij dan? Daarover is veel geschreven, maar nog steeds is er bar weinig zeker, al zijn er legenden genoeg. En ook over zijn vroegste ‘verovering’ van Amsterdam staat niet veel vast.

Slechts één ding is onomstreden. Dat ‘de echte’ Nicolaas uit Spanje kwam, is een puur Nederlands verzinsel, vermoedelijk pas uit de 19de eeuw. Volgens de oudste bronnen was de man op wie de latere legenden en folklore zijn terug te voeren ene Nikolaos, bisschop van Myra in de 4de eeuw na Christus. Myra (nu Demre, in Zuid-Turkije) was een belangrijke havenstad in Lycië, een provincie van het Romeinse rijk. Nikolaos zou omstreeks 280 zijn geboren in het naburige Patara. Over zijn sterfjaar variëren de schattingen van 312 tot 365. Maar al vanaf de 5de eeuw was men het er wel over eens dat hij stierf op een 6de december: dat werd zijn kerkelijke feestdag.
Schriftelijke bronnen over Nikolaos uit de 4de eeuw zijn er niet. Lang werd gezwaaid met een deelnemerslijst aan het Concilie van Nicea in 325, waarop Nikolaos van Myra stond vermeld, totdat bleek dat dit een late kopie was van veel oudere lijsten - waarop zijn naam ontbrak. De oudste uitvoerige ‘vita’ (levensbeschrijving) van Nikolaos die bewaard bleef, werd in de 8ste eeuw geschreven door ene abt Michael. Maar er moet een veel oudere vita bestaan hebben, want daaruit citeerde priester Eustrathios van Constantinopel de legende over hoe de heilige onschuldigen van de doodstraf redde. Nadien verschenen nog veel meer hagiografieën. Het meest geciteerd werd die van Simeon Metaphrastes, geschreven kort voor het jaar 1000. Daarin stonden meer wonderlijke heldendaden van de Sint dan ooit. Pas in de 18de eeuw ontdekte men dat een deel was overschreven uit de vita van de heilige abt Nikolaos van Sion, die op 10 december 564 overleed. De verhalen van twee Nicolazen waren dus samengesmolten.

Zeker geen doetje
In de 20ste eeuw concludeerden sceptische historici dat zelfs het bestaan van die Nikolaos van Myra niet geheel zeker was. De Katholieke Kerk degradeerde hem daarom in 1970 van de ‘algemene’ tot de ‘particuliere’ liturgie: in de kerk mocht zijn feestdag nog worden gevierd, maar verplicht was het niet meer. De Italiaanse historicus Giorgio Gioffari verzette zich vanaf 1987 weer tegen al te vergaande debunking. Volgens hem is het heel goed mogelijk dat de eerste dikke eeuw na Nikolaos’ dood de verhalen mondeling zijn overgeleverd met behoud van een stevige kern van waarheid.
Dat is ook het uitgangspunt van de Nederlandse historicus Aart Blom, die in 1999 het boek Nikolaas van Myra en zijn tijd publiceerde. Blom noemt het "een biografie op de tast". Vanuit een grote kennis van de legenden, van de kerkgeschiedenis en van Lycië in de 4de eeuw, beschrijft hij hoe het leven van een bisschop van Myra eruit gezien kan hebben. Op basis daarvan weegt hij de waarschijnlijkheid van steeds terugkerende verhaalelementen. Nikolaos, concludeert hij, sprak Grieks en nauwelijks Latijn, ook al was hij burger van het grote, maar inmiddels al aardig gedesintegreerde Romeinse rijk. In Nikolaos’ eeuw veranderde het christendom van een zwaar vervolgde religie in een staatsgodsdienst, vooral dankzij keizer Constantijn de Grote.
Verwijzend naar anatomisch onderzoek van zijn gebeente in 1957, stelt Blom dat Nikolaos 1,68 meter lang was (toen vrij gemiddeld), slank, met een hoog en breed voorhoofd, een brede mond en stevige kin. Waarschijnlijk leed hij aan reuma en chronische hoofdpijn. Speciale bisschopskleding bestond destijds nog niet: een staf en mijter kregen bisschoppen bijvoorbeeld pas in de Middeleeuwen. Nikolaos droeg een eenvoudige tuniek en korte mantel. En waarschijnlijk was hij glad geschoren, want baarden waren halverwege de 4de eeuw even uit de mode. Afgaand op de oudste verhalen was de bisschop van Myra vrijgevig en vriendelijk, maar bepaald geen doetje: een onverschrokken beschermer van de zwakken, met nu en dan een stevige driftbui.

Behoed voor het bordeel
Over de steeds mythischer figuur die in onze streken Sint-Nicolaas ging heten, kwamen ruim 100 legenden in omloop. Hier noemen we alleen de drie die in West-Europa het meest bepalend werden voor zijn beeldvorming en feest.
Een van de oudere gaat over een verarmde vader met drie dochters. Hoewel bloedmooi, hadden die op de huwelijksmarkt geen kans bij gebrek aan bruidsschat. Ten einde raad overwoog vader ze aan een bordeel te verkopen. Maar Nicolaas gooide drie keer ’s nachts stiekem een zak geld naar binnen, zodat de meisjes toch netjes konden trouwen. Deze legende inspireerde mogelijk tot tradities als het strooien, schoen zetten en het cadeau doen van ‘vrijers’ van speculaas.
Een stuk jonger is de legende over de heilige die tijdens een zeereis door zijn gebed een bijna fatale storm tot bedaren bracht. Maar dit verhaal komt eigenlijk uit de vita van eerdergenoemde Nikolaos van Sion. Hoe dan ook: het maakte Sint-Nicolaas tot de patroonheilige van de zeelieden en kooplieden en zo indirect van de havenstad Amsterdam.
Het verhaal dat vanaf ongeveer 1100 het populairst werd in West-Europa is in geen enkele oude Griekse bron te vinden. Dat gaat over drie rondtrekkende arme studenten (in latere versies scholieren) die door een geldbeluste herbergier worden geslacht en in een pekelvat gestopt. Sint-Nicolaas komt erachter en brengt ze weer tot leven. Zo werd de Sint ook schutspatroon van de scholieren en kinderen in het algemeen. Op latere afbeeldingen werden de jongens steeds jonger weergegeven (zoals op de elders in dit nummer besproken gevelsteen op de Dam, zie blz. 458-459).
De verering van Sint Nicolaas sloeg allereerst aan in het oosten van het Romeinse rijk, het sterkst in Rusland. Maar vooral door de Kruistochten waaide de verering over naar het westen. Een bepalend jaar was 1087, toen Italiaanse kooplieden het gebeente van de heilige roofden uit diens graf in Myra (inmiddels onder het gezag van moslims) en overbrachten naar Bari.

Zilveren Nicolaasbeeld omgesmolten
Ergens in de 13de eeuw moet de verering ook Amsterdam hebben bereikt. Dat leverde uiteindelijk minstens vijf Amsterdamse Sint-Nicolaaskerken op. Vast staat dat de Oude Kerk kort na 1300 aan Sint-Nicolaas werd gewijd. Nadat op de westoever van de Amstel in 1409 de Nieuwe Kerk aan de heilige Maria en Catharina was gewijd, wilden de leden van de nieuwe parochie toch graag laten blijken dat hun liefde voor Sint-Nicolaas onverflauwd was. Dus plaatsen zij een Nicolaasbeeldje in een gevel op de hoek van het Damrak en de Sint Nicolaassteeg, waar zij op zijn feestdag samenkwamen - totdat tijdens de Beeldenstorm van 1566 het beeldje werd geroofd. De Oude Kerk kwam er toen nog goed van af, maar na de protestantse machtsovername in 1578 werd daar het imposante zilveren beeld van de patroonheilige weggehaald en omgesmeed tot ‘noodmunten’. De Sint is wel nog steeds te zien op vier ‘gevelschotels’ in de nok van de kerk. Sinds 2008 staat hier ook het stenen beeld dat van 1899 tot 1928 café De Bisschop op de hoek van Dam en Damrak sierde. Nadat de katholieke Sint-Nicolaasparochie in 1578 verdreven werd uit de Oude Kerk, vond ze na enige omzwervingen in 1663 nieuw onderdak op de zolders van een koopmanswoning op de hoek van de Oudezijds Voorburgwal en Heintje Hoekssteeg. Ons’Lieve Heer op Solder ging die schuilkerk heten, ook al nam zij op den duur twee verdiepingen in beslag.
Sinds eind 18de eeuw mochten de katholieken hun geloof weer openlijk belijden, al werden ze nog lang behandeld als tweederangsburgers. Toen na 1850 hun welvaart en maatschappelijk aanzien groeiden, kregen ze behoefte aan eigen grote triomfantelijke kerkgebouwen. De Amsterdamse Sint-Nicolaasparochie gaf architect A.C. Bleys opdracht voor de bouw van een imposante nieuwe kerk op de Prins Hendrikkade, tegenover het even nieuwe Centraal Station. In 1887 was ze klaar. In de voorgevel staat een drie meter hoog zandstenen beeld van de patroonheilige, van de hand van Bart van Hove. Bijzonderder nog zijn de zestien muurschilderingen binnenin waarop Jan Dunselman tussen 1918 en 1921 scènes uit het (legendarische) leven van Sint-Nicolaas uitbeeldde.
Lang niet iedereen weet dat Amsterdam nog méér aan Nicolaas gewijde kerken kende en kent… Allereerst die van Sint-Nicolaas en Barbara in de Bilderdijkstraat, alias De Liefde. (Sint-Barbara had toevallig haar feestdag op 4 december, vlak voor die van Nicolaas.) Het door Pierre Cuypers ontworpen neogotische kerkgebouw uit 1885, opvolger van een 18de-eeuwse kerkje in het huidige Bilderdijkpark, werd in 1990 gesloopt. Maar nog altijd zijn ook de Koptisch-orthodoxe kerk van Amsterdam (Gerrit van der Veenstraat) en de Russisch-orthodoxe kerk (voorheen in de Kerkstraat, nu in de Tichelstraat) aan Sint-Nicolaas gewijd. Amsterdam is en blijft dus een echte Sint-Nicolaasstad.