Herinneringen van een raadsverslaggever

Gemeenteraad Stopera

 

In Ons Amsterdam van maart 2018 vindt u een sfeerschets van de Amsterdamse gemeenteraad in de laatste 50 jaar.  Hier een toegift. 

Op verzoek van de redactie vertelt Eelco van der Waals (geb. 1956; nu stenograaf van de Tweede Kamer en daarnaast dichter) graag hoe hij het functioneren van de Amsterdamse gemeenteraad heb ervaren in mijn rol van ambtelijk raadsverslaggever (1995-2005) heeft ervaren. En wat zijn eigen werk inhield.

 

Door EELCO VAN DER WAALS

Van de laatste halve eeuw Amsterdamse gemeenteraad heb ik in mijn werkende leven maar een stukje meegemaakt: van 1991 tot 1995 in loondienst bij de Bestuursdienst (meer in het bijzonder, als raadsverslaggever bij het Gemeenteblad) en van 1995 tot 2005 via mijn eigen bureau Verslagbureau Amsterdam / VBA, dat eveneens de (inmiddels uitbestede) verslaglegging van de raad verzorgde. Over deze periode kan ik dus uit eigen waarneming en ervaring wel iets zeggen. Dat doe ik hieronder.

 

Van Binnenhof naar Stopera

Laat ik beginnen met een beschrijving van mijn eigen loopbaan. In 1975 kwam ik in dienst van de Stenografische Dienst der Staten-Generaal voor de opleiding tot parlementsstenograaf. Na afronding daarvan en mijn beëdiging heb ik tot medio 1987 gewerkt als stenograaf voor de Eerste en Tweede Kamer. Naast mijn werk ging ik vanwege mijn culturele en literaire belangstelling een deeltijdopleiding volgen (Nederlands MO-A) en meelopen bij een uitgeverij (BZZTôH, Den Haag, als assistent van uitgever Phil Muysson).
Gaandeweg besloot ik een eigen uitgeverij te beginnen, wat ik in 1987 ook inderdaad heb gedaan. Ik nam ontslag bij de Kamer, verkocht mijn huis in Den Haag en richtte uitgeverij AHA Books (Art History Architecture) op, die van start ging aan de Nieuwe Herengracht in Amsterdam, om de hoek bij het stadhuis. Maar een vetpot was dat bepaald niet dus besloot ik toch maar weer te kijken wat ik kon betekenen voor de vergaderverslaggeving – te meer omdat er intussen ook een reeks van stadsdeelraden was ontstaan. Ik besloot dus mijn licht op te steken bij het Gemeenteblad Afdeling 2. Want de schoorsteen moest blijven roken...
Ik stapte binnen op het stadhuis en trof daar de heren Ed de Jong en Frans van den Bergh, gezeten aan een bureau en bezig met het opstellen van een vacaturetekst voor een nieuwe raadsverslaggever, die in de plaats zou kunnen komen van hun collega Pieter Heitlager, die inmiddels met pensioen was. Dat was een mooi toeval.
Ik vertelde dat ik was opgeleid tot en beëdigd als parlementsstenograaf en na 121/2 jaar ontslag had genomen om mijn eigen uitgeverij te kunnen beginnen, en dat ik na de beëindiging daarvan nu geïnteresseerd was in betaald werk in mijn oude stiel. Op dat moment dacht ik nog aan freelance werk voor een van de stadsdelen en was ik helemaal niet op zoek naar een vaste baan in mijn oude métier.
Ed de Jong: “Wanneer kun je beginnen?” Ik: “Morgen”. Na nog wat beleefdheden en praktische informatie over en weer was niet veel meer nodig voor mijn eerste proefopdracht. Ik kreeg als ik het me goed herinner een hoorzitting (geluidsopname, aantekeningen, stukken) mee naar huis en leverde die een dag of wat later kennelijk tot volle tevredenheid weer af in de vorm van een uitgewerkt verslag. Vanwege mijn gebleken bekwaamheid en relevante ervaring kwam ik in dienst als raadsverslaggever op het stadhuis, met een woon-werkverkeer van vijf minuten te voet. Nooit gedacht dat ik dit werk na mijn vertrek van het Binnenhof weer zou gaan doen, en al helemaal niet voor de gemeenteraad van mijn geboortestad!

 

Het werk voor de gemeenteraad leek natuurlijk wel enigszins op de verslaglegging voor de Eerste en de Tweede Kamer, maar alles was veel kleiner dan op het Binnenhof, er waren minder protocollen en een kleinere organisatie. En, zoals al te verwachten viel van een stad als Amsterdam, véél Eigen Inzichten en Opinies, waardoor het stadhuis, het Gemeenteblad en onze eigen Afdeling 2 van die dienst een wereldje op zich was, een eilandenrijkje met ongeregelde bootverbindingen tussen de gebiedsdelen. Ik keek mijn ogen uit en bewoog me vrij door het stadhuis en de omliggende eilanden waar we uit hoofde van ons werk zoal kwamen.

Ter verduidelijking: Afdeling 1 van het Gemeenteblad omvat de voorstellen van B&W aan de gemeenteraad (‘raadsvoordrachten’); afdeling 2 omvat de (vrijwel) letterlijke verslagen van de raadsvergaderingen; afd. 3 de uitgewerkte raadsbesluiten.

In het hart van de arena

Vergelijkbaar met mijn Haagse ervaring waren de plek en de positie die we (tot de invoering van het ‘duale stelsel’ in 2002) tijdens de vergaderingen van de gemeenteraad innamen: aan een (hier ellipsvormige) tafel midden in de raadzaal, met vlak daarbij een tweede tafel die was gereserveerd voor onze collega’s van Afdeling 1: Ab van der Neut en Rob Pauw. Zij zaten recht voor de burgemeester en de gemeentesecretaris (die zij souffleerden over procedurele zaken), terwijl wij meer tussen de raadsleden in zaten, maar allebei in het hart van de arena. Op foto’s die ik nu zie van de(zelfde) raadzaal staan deze twee tafels er niet meer.
Die plekin het midden van de zaal was (en ben ik weer) gewend van het Binnenhof, en heeft grote voordelen voor de waarneming en weergave van non-verbale informatie tijdens vergaderingen die nog wel eens van wezenlijk belang kan zijn voor het verhandelde, en daarmee voor het verslag. Zo wil een wethouder (of minister, of staatssecretaris) nog wel eens mimisch en geluidloos antwoorden op een vraag, zoals “Is het de (wethouder/minister/staatssecretaris) bekend dat … ?“. Dan volstaat een blik van de aanwezige stenograaf/verslaggever om het betekenisgevend gebaar (opgeheven handen, opgetrokken schouders) en de bijpassende grimas (samengeknepen lippen, opgeheven wenkbrauwen, onwetende blik) te duiden als “Ik weet het niet”, wat dan in het verslag kan worden weergegeven als “De (wethouder/minister/staatssecretaris) gebaart dat hij het niet weet”, of woorden van gelijke strekking. Want de strekking is hier inderdaad wat telt, en die wordt zo helder en eenduidig weergegeven in het verslag.

De positie van de raadsverslaggevers vertoonde in de dagen waar ik van spreek grote gelijkenis met die van de stenografen in het parlement: door je ambtshalve aanwezigheid bij allerlei soorten vergaderingen behoor je, net als de griffier(s) en de bode(s), al snel tot het meubilair, met alle voordelen van dien. Zo word je na verloop van tijd onzichtbaar tegen de achtergrond van de gekozenen en bestuurders, maar wél herkend wanneer je uit die anonimiteit treedt, in de wandelgangen of op straat, en dan met een vriendelijke hoofdknik begroet, net als in de koffiekamer van de raad, de ambtswoning (of de Rooksalon van de Kamer) bij een onderbreking van de vergadering of een feestelijke bijeenkomst waar je ook als wandelend meubelstuk niet misstaat en je weet te gedragen.

Geheel eigen aan de positie van de raadsverslaggevers was in de tijd waar ik het hier over heb de traditie dat de jongste (in dienstjaren) in de koffiekamer naast de raadszaal bij het ronde tafeltje stond waarop de presentielijst ter tekening klaarlag voor de binnenkomende raadsleden, die dan vaak enkele vriendelijke woorden of zinnen met je wisselden. Zo heb ik nog ergens een foto waarop ik samen met Roel van Duijn sta terwijl we vriendelijk- en beleefdheden uitwisselen. Een ander van deze momenten herinner ik me ook nog goed, toen Annemarie Grewel zichtbaar gehavend verscheen, die op de Zeedijk kort daarvoor een poging tot straatroof had weerstaan en die met haar triomfantelijkste blik uitriep: “Maar m’n tasje héb ik nog!”.

Topredenaars en warhoofden

Ja, het boeiendst zijn en blijven natuurlijk de personen die hun rol spelen in dit geheel. Want ook hier schijven ménsen het verhaal van de (en onze eigen) geschiedenis.

Namen die me direct te binnen schieten zijn, behalve de al genoemde Roel van Duijn en Annemarie Grewel, Leo Platvoet met zijn ingehouden droogscepsis, die naast zijn raadswerk reisboeken bleek te schrijven (en die ik jaren later weer in de Eerste Kamer tegenkwam), Harry van Bommel, die ik eveneens jaren later weer regelmatig op het Binnenhof zag en beluisterde, en die ook daar nog altijd de vlot-degelijke uitstraling had die je niet bij een doorgewinterde SP’er zou zoeken. Hansje Kalt, met haar charmante verstrooid-gedreven meisjesachtigheid, Klaas Veldman de onverzettelijke oud-personeelsman bij de ADM, die met de hand op de knip pal stond tégen spilzucht en vóór de spaarzaamheid van de oude sociaaldemocraten, die in het nieuwe tijdsgewricht onhoudbaar afkalfde. Rick ten Have, met zijn licht provocerende dictie, die (als nieuwe wethouder) zich uit een benaderde situatie wist te redden door van een onvindbaar miljoenenbedrag bij de Dienst Stedelijk Beheer te verklaren dat het niet “kwijt” maar “zoek”was, ik hoor het hem nóg zeggen...
Verder natuurlijk de stuurse en dán weer joviale Auke Bijlsma, die een geheel eigen positie innam in de raad en de (Nieuwmarkt)buurt, waar hij met zijn stok en zijn slepende tred een gezaghebbende verschijning was.

De meeste sprekers die ik me uit en rond de Amsterdamse raad herinner, spraken vrij gemakkelijk uit het hoofd, met als toppers Frank de Grave, Frank Köhler, de al genoemde Annemarie Grewel, Frits Huffnagel, Maarten van Poelgeest, Gonny van Oudenallen en Eberhard van der Laan.
Warrig vond ik een lid als Saar Boerlage. Glashelder: Duco Stadig, Frans Spit, Guusje ter Horst, Harry van Bommel.Het meest polemisch was onder twijfel Gonny van Oudenallen, die ervan hield om de ramen flink tegen elkaar open te zetten.
En geestig? Daarbij denk dus allereerst aan de al genoemde Leo Platvoet, met zijn drooghumoristische wendingen, maar ook aan Schelto Patijn, Hansje Kalt en Rob Oudkerk.

Weinig correcties

In het algemeen waren de raadsleden buitengewoon tevreden met ons werk. Sprekers kregen hun inbreng op papier toegezonden met een antwoordenvelop en konden binnen een strakke termijn suggesties voor correcties of aanvullingen insturen, In geval van twijfel gaf de bewaarde geluidsopname altijd de doorslag gaf.
Natuurlijk waren er wel eens kleine pogingen om bij de schriftelijke correctieronde een wat ál te stellig uitgesproken woord of passage een beetje terug in het gareel te duwen, maar dat hoort nu eenmaal ook bij het spel, waarin alle spelers – ook de verslaggevers – hun aandeel hebben.

Het heftigst waren de debatten natuurlijk als er weer verkiezingen naderden. Dan werden eerder gesmede coalities worden losgeweekt en -gewrikt. Maar ook in de turbulente periode van ophef over de GVB-tekorten (1996-1997). Dan zie ik meteen weer figuren als André Testa (theatrale GVB-directeur), Guusje ter Horst (wethouder) en Max de Jong en Arie van der Zwan voor me. Die zaak zou zich zomaar zou kunnen lenen voor een operalibretto. Maar spannend was het ook bij zoiets geheel eigens en onherhaalbaars als de kwestie rond het bedreigde weilandje De Vrije Geer (1994), met een interessante en met verve gespeelde rol voor de Slotense familie Frankfurther.

Ja, spannend was het dus meer dan eens, maar actieve verstoringen van de vergadering heb ik niet meer meegemaakt. Na de jaren ’80 was dat wel zo’n beetje afgelopen. Wél waren er (tactische en soms eindeloze) onderbrekingen van hoorzittingen of commissievergaderingen, gericht op het terugnemen van een collegevoorstel of het bijplussen van extra draagvlak. Waarbij Duco Stadig als wethouder meerdere malen in mijn ogen een glansrol vervulde door op dát moment zijn verlies te nemen.

In de raadzaal werd in mijn tijd niet meer gerookt en in de commissiezalen, waaronder de Boekmanzaal, bij mijn weten ook niet, maar daarbuiten (stoom afblazen) natuurlijk veel en vaak, als het even kan en kon met een glas in de hand. Roken mocht wel op het dakterras dat grenst aan de de Koffiekamer van de Raad.

Verslaggeving, hoe ging dat?
Bij mijn aantreden werden de raadsvergaderingen opgenomen op geluidsband, net zoals ik dat eerder gewend was geweest op het Binnenhof. De geluidsopnamen speelden we aan ons bureau daags na de vergadering af als basis voor het woordelijk geredigeerde verslag. Stenograferen heb ik niet meer meegemaakt in Amsterdam, wel nog op het Binnenhof.
Eerder hierboven herinnerde ik al aan de stenografentafel waar ik ook nog aan heb gezeten midden in de raadzaal, de tafel die er nu niet meer staat. Lijkt me niet handig, want hoe geef je dan passages weer waarin non-verbale communicatie een rol speelt?
Natuurlijk waren er weleens problemen. Wat de techniek betreft: een ontbrekende opname op een cruciaal moment. Onverstaanbaarheid, doordat mensen door elkaar spreken of roepen, of veroorzaakt door achtergrondgeluid. Onduidelijkheid, doordat iets (net) buiten de microfoon gezegd is, of (net) buiten het officiële gedeelte van de vergadering. Ruis, kortom.
Maar dat kwam gelukkig vrij weinig voor, en met ieders welwillende medewerking viel het goed op te lossen.

Tot zover een aantal herinneringen aan mijn tijd bij de Amsterdamse raad.

Eelco van der Waals