Uitgeverijen betrekken oud schoolpand.

Weteringschans 259Een reeks gerenommeerde uitgeverijen, zoals Querido, Athenaeum Polak & Van Gennep, Nijgh & Van Dittmar en De Arbeiderspers (lang samen bekend als ‘Singel 262’)  is via het Afrikahuis op het Spui sinds 24 april beland op het adres Weteringschans 259 (voorheen 255 A). Een pand met een boeiend verleden.

 

Dit was de Reguliersschool, een openbare jongensschool 'der 4de klasse' oftewel super-chic. Ze werd rond 1875 gebouwd. De ingang zat tot 1930 net om de hoek, aan de Reguliersgracht. Begin 20ste eeuw was Antoni Schoevers er schoolhoofd; hij woonde naast de school op Reguliersgracht 111, waar zijn zoon Adriaan in 1913 zeer kleinschalig begon met zijn opleiding schrijfmachineschrijven -- nu een gerenommeerde secretaresse-opleiding.  In de jaren ’20 was Benno Premsela,  beroemd vormgever en pionier van de homo-emancipatiebeweging, een van de leerlingen. Er waren relatief veel joodse leerlingen en daarom werd hier op zaterdag (sabbath)  geen les gegeven!

In 1937 werd de school opgeheven.  Er kwam een nieuwe gebruiker:  de vereniging Kennis en Godsvrucht, die er haar Joodsche ULO (school voor Uitgebreid Lager Onderwijs)  vestigde, met F. Israël als schoolhoofd.  Na de oorlog werd het de Zacharias Janseschool.   Tot voor kort was dit het hoofdkwartier van de Vereniging Humanitas.

Het Algemeen Handelsblad publiceerde op 16 december 1930 een ingezonden brief van een oud-leerling over het curieuze onderwijssysteem van de Reguliersschool.

“Het is tusschen de 50 en 60 jaar geleden, dat ik op de Reguliersschool ging. Het was een eenigszins lugubere weg, dien wij volgden, van het nog geheel nieuwe Vondelkwartier door het Leidscheboschje,' dat werkelijk een boschje was van groote iepen, over het opgespoten terrein, waar later het Rijksmuseum zou komen, langs de Schans, waar de vuile gasfabriek stond, met de kolenschuiten in de Lynbaansgracht, naar de Reguliersschool. Wat is er op dien weg veel veranderd! De school daarentegen zag er van buiten vrijwel uit als nu, behalve dat men onlangs den ingang verplaatst heeft van de grachtzijde naar de Weteringschans en daarbij van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt om den schooljongens te laten zien, dat men metselsteenen ook op hun smallen kant kan zetten om er muren van te maken: de combinatie van behoorlijk liggende en pedant staande steenen doet wel heel mal aan!
In de school en de wijze waarop daar gewerkt wordt zal wel heel wat meer veranderd zijn dan aan de buitenzijde. Destijds was de Reguliersschool een 4de klasse school, waar men niet alleen Fransch leerde, maar ook Duitsch en Engelsch. Hoe men tijd heeft gevonden ons al die vakken te leeren en wel zoo, dat wij er toch behoorlijk wat van opstaken, zal men misschien niet begrijpen. En toch was het zoo.

Op de Reguliersschool bestond destijds het systeem van wekelijksch proefwerk. Eiken Vrijdagmiddag werd in een of ander vak proefwerk gemaakt, in bepaalde volgorde: schrijven, Nederlandsch, rekenen, geschiedenis, enz. en ook in Duitsch en Engelsch. De vellen met de proeven van ons schrift keek het hoofd van de school, de lange, deftige heer Laan, zelf na, en hy bepaalde dan de volgorde, waarin wij gerangschikt werden wegens onze knapheid in het schrijven, en waarin wij kwamen te zitten in de klasse. Want als het proefwerk was afgeloopen en nagekeken, en iedere jongen zijn volgnummer had gekregen, had er een groote volksverhuizing plaats. No. 1 kwam te zitten vooraan op de eerste bank rechts, en zoo vervolgens. Wij spraken dan ook van ‘plaatswerk’. . Het proefwerk in andere vakken werd door den klasse-onderwijzer nagekeken, en naar het aantal fouten in het werk werd de volgorde en werden dus onze plaatsen in de klasse voor één week bepaald.

Paedagogisch kon het systeem, dat natuurlijk al lang is afgeschaft, zeker niet door den beugel — evenmin als de prijzen, die de beste leerlingen aan het eind van het schooljaar in den vorm van leesboeken mee naar huis namen. In het „Heb jij een prijs?" van de jongens onderling, zal wel heel wat jaloerschheid of „Schadenfreude" gezeten hebben. En zoo zullen ook de slechte resultaten van de jongens, die altijd achteraan kwamen te zitten, wel minder goed hebben gewerkt. Maar de ambitie werd er wel door opgewekt. En toen ik als belooning, omdat ik een paar maal achtereen ‘één had gezeten’, door mijn vader meegenomen werd naar het theater „Tivoli" in de Nes, waar Bamberg optrad in De Behanger" en de „Schoolmeester ten plattelande — toen had ik tenminste tegen proefwerk op school niet het minste bezwaar!”