Remco Campert: Van HALO naar Braak

Remco jong 2

Bloedjonge ‘Vijftiger’ debuteerde in schoolkrant
Patrick van den Hanenberg

Remco jong 2Naar aanleiding van ons artikel over de geschiedenis van het 100-jarige Amsterdams Lyceum in Ons Amsterdam van februari, stuurde Patrick van den Hanenberg, theaterjournalist bij de Volkskrant en docent van dit lyceum, ons dit artikel over Remco Camperts literaire debuut als redacteur van HALO, de schoolkrant van Het Amsterdams Lyceum. (Red.)

De naoorlogse jaren heten de jaren van herstel en vernieuwing te zijn. Het blijkt in de praktijk toch vooral om herstel te gaan. Men probeert de grauwe oorlogsjaren zo snel mogelijk te vergeten, de mouwen worden opgestroopt, men begint aan de wederopbouw en hoopt dat het zo snel mogelijk weer 1939 zal zijn. Had men over het algemeen al weinig belangstelling voor de verhalen van de joodse Nederlanders die de ellende hadden overleefd, de Nederlanders die na de zomer terugkomen uit Nederlands Indië konden met hun verhalen over de jappenkampen helemaal nergens terecht. Niet terugkijken, maar vooruit.

 

Ook op Het Amsterdams Lyceum wil men de draad zo snel mogelijk weer oppikken. Het schoolgebouw was tijdens de oorlog door de Duitsers gevorderd. De leerlingen werden over diverse Amsterdamse locaties verspreid, terwijl de Duitsers de lokalen hadden ingericht als kantoor en slaapzalen. Het gebouw ziet er in 1945 uitgewoond uit, omdat de Duitsers vrijwel alles van waarde hebben meegenomen. Rector Gunning was ontslagen en tijdelijk naar kamp Amersfoort afgevoerd, omdat hij heel nadrukkelijk had geprotesteerd tegen de maatregel om de joodse leerlingen van school te verwijderen. Wolkenland, het buitenhuis van Het Amsterdams Lyceum in de bossen van Montferland in Gelderland, waar alle klassen elk jaar op werkweek gingen, was met Kerstmis 1944 door de Engelsen gebombardeerd, omdat de Duitsers er een uitkijkpost hadden gevestigd. De teruggekeerde rector Gunning gaat – ondanks de enorme schaarste aan bouwmaterialen – voortvarend te werk om het schoolgebouw in de bossen zo snel mogelijk weer op te bouwen.

Gunning heerst weer als vanouds en houdt de goede zeden in de gaten. Er zijn enkele nieuwe leerlingen via Jeugdzorg op Het Amsterdams gekomen, die door de oorlog hun familie zijn kwijtgeraakt. Zij zijn te herkennen aan hun rode petje. Een paar rotjongens jonassen de niet-echte-lyceïsten het water in van het Van Heutsz monument en worden direct door een woedende Gunning een paar dagen geschorst. Herstel van de Lyceum-waarden.

Vernieuwing treft men vooral aan in de beeldende kunst en literatuur.
In mei 1950 verschijnt het eerste nummer van het literaire tijdschrift Braak. De redactie zet zich stevig af tegen de traditionele poëzie in Nederland die sterk beïnvloed is door Menno ter Braak. In het blad schrijven jonge honden die de weg vrijmaken voor de expressieve Vijftigers. Voor liefhebbers van moderne poëzie is het tijdschrift een aangename verrassing. Veel (oud-)leerlingen van Het Amsterdams Lyceum hebben direct in de gaten dat Braak in feite een voortzetting is van schoolkrant HALO (Het Amsterdamsch Lyceum-Orgaan). De twee redacteuren, Rudy Kousbroek en Remco Campert, (die al snel gezelschap krijgen van de latere uitgever Johan Polak) hebben het nooit onder stoelen of banken gestoken: in Halo hebben zij zich warm gelopen voor Braak.

Ofschoon Het Amsterdams Lyceum in vrijwel geen enkele publicaties nalaat om te noemen dat deze twee literaire reuzen leerlingen van de school van Gunning waren, moet de band van Campert met Het Amsterdams wel enigszins worden gerelativeerd.

De geboren Hagenaar (1929) – zoon van actrice Joekie Broedelet en journalist/dichter/verzetsman Jan Campert, die vooral bekend is van het gedicht De achttien doden, dat hij schreef naar aanleiding van de executie van 15 leden van de verzetsgroep De Geuzen en 3 communistische Februaristakers – bracht de laatste drie jaar van de oorlog door in Epe.
Men zegt, hij was dapper en streed voor het vaderland,
Maar nu rust hij in het zand.
Men zegt, hij deed zijn plicht,
Maar mij rest slechts een foto, een brief en een gedicht.
Remco Campert (HALO november 1946)

3 Mei
De bomen groeien al
De lucht is grijzig blauw
En bloemen zonder tal
Voor hen, die eens hun leven gaven.
Een stilte, zo intens.
Alleen het wapp’ren van de vlag, halfstok
Je voelt je schuldig, twee minuten
En een beter mens

R.C. juni 1947

Na de oorlog verhuist hij naar Amsterdam, waar hij in september 1945 terecht komt op Het Amsterdams Lyceum. Althans, hij is daar ingeschreven, maar als hij uit lijn 16 voor school uitstapt, wandelt hij vrijwel altijd richting binnenstad. Hij gaat overdag naar de bioscoop en ’s avonds naar kunstenaarscafés en jazzclubs. Het is de tijd van de nieuwe jazz van Charlie Parker en Dizzie Gillespie.

Na de wilde jaren in de bossen van Epe kan school hem op geen enkele manier boeien, zeker niet als hij vanwege het vele spijbelen ook nog eens een klas wordt teruggezet. De brede, donkere schoolgangen deprimeren hem en ook Gunning – ‘de merkwaardige rector die geen gelegenheid voorbij liet gaan om leerlingen en leraren te overtuigen van zijn joviaal idealisme’ – kan hem niet bekoren. De tiener verveelt zich dood tijdens de eindeloze lessen over Vondel van meneer Bomhoff, docent Nederlands. Campert is meer geïnteresseerd in wat hij in de boekenkast van zijn moeder heeft gevonden, zoals een dichtbundel van Paul van Ostaijen. Later zou Campert over zijn tijd op Het Amsterdams zeggen: ‘Hoewel het vlak na de bevrijding was had ik het idee in een ruimte verzeild geraakt te zijn waarin de vrijheid aan banden was gelegd. Achteraf bezien lag dat natuurlijk niet aan de school. Ik wilde niet leren. Ik was al een dropout toen dat begrip nog niet bestond.’

De enige reden om op school te verschijnen is HALO.

In oktober 1946 debuteert hij in Halo met de tamelijk melige strip Snuf Snuffel. Na de laatste van zeven afleveringen gaat Campert in op de kritiek die hij heeft gekregen op de strip: hij zou niet origineel zijn.

Snuf Snuffel

‘Snuf Snuffel is zeker niet vrij van invloeden. In de tijd dat ik hem schiep stond ik onder sterke invloed van de stijl van Siem Praamsma, de tekenaar van Jochem Jofel. Ik tekende toen pas een half jaar, wist nog niets af van de constructie van stripfilmfiguren en ben begonnen ze domweg na te tekenen om de stijl te pakken te krijgen.’


Snuf SnuffelSnuf Snuffel, zoals de meeste zijner stripcollega's, een zeer flink en intelligent persoon, stond op een ochtend in zijn tuin te werken, toen de post hem over het hekje een brief aangaf. „Mógge, meneer Snuffel," zei de post, „hier is een brief". „Morge, post", zei Snuf, opende de brief en las het volgende: „Alleen een flinke kerel kan het geheim van de Bergjesbergen oplossen". Verder stond er niets. „Dit is een uitdaging", dacht Snuf, slim als hij was en besloot meteen te vertrekken. Gelukkig had hij een auto, want het was een heel eind naar de Bergjesbergen. Toen hij een paar uur gereden had en de eerste hoge bergtoppen reeds voor hem opdoemden zag hij in de verte twee lifters staan. Toen Snuf stopte schoot een raar mannetje op hem af. „Excuseer m'n neus", zei het mannetje, „m'n naam is Sam Camera en daar staat Pietje Sloom, m'n assistent. We hoorden van uw reis. Mogen we u filmen?" Snuf, die wel van reclame hield, klom z'n auto uit, Sam Camera richtte de camera en deze begon te zoemen.


(HALO - oktober 1946)


Verder vult hij de vaste rubriek De Lyeumkroeg, een cartoon gecombineerd met een gedicht. Hij wordt al snel de spil van HALO.

Lyceum-kroeg

Lyceum-kroegDe kroeg werd gesloten voor veertien dagen,
En al de kroegbewoners: consumenten, zetbaas
En kelners, gingen tijdens de zonnige Paas,
Heerlijk slapen en vulden de lege magen.
Nu is hij weer geopend, de kroeg,
En allen zijn terug, zetbaas, kelners en kroegkroost.
En er wordt weer geschonken van 's morgens vroeg,
Tot 's middags laat; van half negen tot half enen; proost!

Ik wil dan met bruisende pen bezingen
— Volgend het voorbeeld van Theo, d' onvolprezene —
Wat er voorvalt in de kroeg en haar omgevingen;

Moge het gelezen worden in wijde kringen.

Klungel (mei 1947)

Campert leeft helemaal op als hij met een aantal geestverwante medescholieren in de redactieruimte in de kelder van de HBS-vleugel of in het Lyceum Café (op de hoek Okeghemstraat) aan de schoolkrant kan werken.

Het blad wordt gedrukt bij de kleine, ouderwetse drukkerij Grafica op de Elandsgracht. De tekst wordt met de hand gezet, met loden letters uit de letterbak, op een plankje ter grootte van de pagina van HALO. Als een pagina klaar is wordt het geheel met een touwtje vastgezet. De redactieleden corrigeren dan de drukproeven op zetfouten.

Interlyceale in Halo gebruikt hij de pseudoniemen Klungel, Vincent Moreno en erce (zijn initialen) voor zijn poëzie, cartoons en strips. Net als Kousbroek schrijft Campert naast enkele recensie van een schooluitvoering vooral over buitenschoolse zaken, zoals jazz en de Koude Oorlogsspanningen. Nadat Gunning hem een briefje heeft gestuurd (‘Je bent nu al zo lang niet op school geweest, dat ik hierover nu toch wel graag eens even precies op de hoogte zou komen.’) heef Campert zijn langste tijd op Het Amsterdams wel gehad. Hij zal de school in het voorjaar van 1948 zonder diploma verlaten.
Toch blijft er nog wel een lijntje met school. Zelfs als hij van school verwijderd is, publiceert hij nog een aantal stukken in HALO. Zijn hart gaat dan al uit naar een nieuw podium. Onder de 70 eerste abonnees van Braak zijn veel (oud) leerlingen van Het Amsterdams.

InterlycealeBij het 9e lustrum (1962) vroeg de Halo-redactie of Campert nog eens op zijn Halo-tijd wilde terugkijken.

‘Als ik nu het peil zie van de bijdragen die in die tijd uit mijn botte pen vloeiden, weet ik niet of ik moet lachen of huilen. Mijn eerste schreden op het pad der letter­kunde waren wel bijzonder wankel en het is me eigen­lijk een raadsel dat ik toch nog lopen heb geleerd. Mijn enige troost is dat het proza van mijn mederedacteuren in onnozelheid niet voor het mijne onderdeed.

Maar ja, we moesten het tenslotte zelf volschrijven; het gros van de lyceïsten wist nauwelijks dat er zoiets als HALO bestond. (..) Wat ik mij van mijn lyceumjaren herinner is niet onverdeeld gunstig. Een paar lichtpunten uit die tijd: het werken voor en aan HALO, het meisje waar ik verliefd op was (ik heb het haar pas tien jaar later verteld) en de keren dat ik ongeoorloofd verzuimde. Met dat laatste liep het op de duur de spuigaten uit, zodat de rector mij de gelegenheid bood de school voorgoed te verzuimen. Een blijde boodschap, mag ik wel zeggen. Ik ben toen nog wel drie maanden redacteur van HALO gebleven en ik vlei me nu nog steeds met de gedachte de enige redac­teur te zijn geweest, die na van school verwijderd ,te zijn, dat mooie werk nog enige tijd mocht voortzetten. Ach, het vulde mijn dag een beetje.

Patrick van den Hanenberg

Bijlagen:

OP HET AMSTERDAMS LYCEUM MOET HEERSEN ORDE EN REGELMAAT, JONGENS! ANDERS KAN HET NIET LANGER!

Wij ontvingen een smeekschrift, aangeboden en ondertekend door in­vloedrijke vertegenwoordigers uit alle lagen der schoolgemeenschap, in­houdende een verzoek tot nauwkeuriger naleving van het schoolreglement (uiteengezet op blz. 6 leerlingenboekje). Volgens dit smeekschrift zouden bepaalde elementen geen acht slaan op deze voorschriften, die toch aan onze school dat bijzonder cachet verlenen, dat eigen is aan alle neutrale bijzondere scholen. Wij meenden dan ook er goed aan te doen, door maan­delijks één dezer regels langs visuele weg te verklaren. Door deze maat­regel hopen wij vooral de goedkeuring van het ons zo dierbare docenten­corps weg te dragen.

Jan en Marie, het is verboden in het gebouw te stoeien of te fluiten. De leerlingen zijn mede verantwoordelijk voor de netheid in de leslokalen. Zij worden aansprakelijk gesteld voor beschadiging door hun toedoen aan banken of ander schoolmateriaal aangebracht.

(Mei 1947)

PIET MONDRIAAN EN STAN KENTON.
Drie lijnen, een rood vlak, een blauw vlak, waarom maken ze me zo opgewonden?
Is het dat ritme, verwekt door de compositie? Een ritme dat nietszeggend is, als je er niet vatbaar voor bent. Een ritme, volkomen gelijk aan het ritme van de jazz. Niet dat van een spiritual, een blues of een Gershwin-melodie, maar dat van de Re-bob-stijl of van Stan Kenton. Een razend snel aantippen van deze tijd en terugbrengen tot 'een paar lijnen, een paar noten. Men vindt de 20e eeuw terug in de composities van Mondriaan en Stan Kenton. De wolkenkrabbers, heel de koude, gevoelloze techniek en vooral de hardheid. Er spreekt geen medegevoel uit deze composities. Ze geven een koud onder­werp op een koude en zakelijke manier weer. Maar toch maken ze mij vreemd opgewonden. Het strakke ritme drijft me op, haalt me in en voert me met zich mee. Het voert me mee naar een maalstroom van geld en 'techniek en erboven wankelen de wolkenkrabbers. Wat kan me daaruit nog redden? In een maal­stroom is geen strohalm om je aan vast te klampen.

R. C. (18-11-1947)

ZIJN HOOFD VERLIEZEN.

Een week geleden zag ik de man voor het eerst. Hij stond in een grote menigte 'mensen, die allen luisterden naar een kort, gezet heer, die zich op een podium bevond. Van tijd tot tijd liep de heer op het podium rood aan, hij sloeg met de vuist op de katheder voor hem en de menigte begon te juichen. De man, die tussen de saam-gepakte mensen stond, nam dan met enige vlugge handbewegingen zijn hoofd af en gooide het luchtig omhoog. Tot mijn verbazing wist hij het altijd weer op te vangen en met een snel en wat schich­tig gebaar, als werd hij (betrapt op iets, dat verboden was, plaatste hij het hoofd dan weer stevig op zijn romp. Het merkwaardige was, dat, wanneer zijn hoofd in de lucht zweefde, de lippen zich tot een gelukzalige glimlach plooiden en er tranen in de ogen kwamen; zo­dra echter het hoofd weer op zijn plaats was, sloten de lippen zich strak en werden de tranen wrevelig weggeveegd. Toen verloor ik de man uit het oog 'en ik zag hem pas weer aan het einde der avond. De bijeenkomst was afgelopen en de mensen schuifelden de ontnuchterende koude in. Hij stond reeds buiten temidden van een grote groep mensen, die zich langzaam in, beweging zette. De men­sen zongen een lied en de man hield een vlag in zijn handen. Zijn hoofd, lachend en wenend, was op de vlaggenstok gestoken, de haren wapperend in de wind.

De tweede maal dat ik de man zag, was enige dagen geleden. Het was in het huis van een vriend waar een tiental jonge mensen, waaronder ik, samengekomen was om te luisteren naar het voor­dragen van poëzie. Ik merkte hem eerst niet op, daar ik in een druk gesprek gewikkeld was met enige vrienden, maar toen er om stilte verzocht werd en ieder zijn plaats zocht, zag ik hem plotseling, zit­tend achter een tafel, met een gedichtenbundel voor zich. Toen allen stil waren, begon hij met een rustige, misschien iets te zachte stem, te lezen. En na nog geen zeven regels te hebben uitgesproken. zweefde zijn. hoofd weer omhoog, op een onbeschrijfelijk speelse manier heen en weer bewegend op de cadans der woorden, tot het, door het plafond gegaan, aan mijn gezichtsveld was onttrokken. Men zou verwachten, dat met het verdwijnen van het' hoofd in de ruimte, de woorden, die toch immers in de mond gevormd worden, langzamerhand onhoorbaar werden, maar dit was niet het geval. Integendeel, zijn stem klonk zelfs minder zacht dan te voren. Aan het einde van de voordracht was hij, voor ik hem kon complimen­teren met zijn opvatting der gedichten, verdwenen. Toen ik laat in de avond naar buiten kwam, zag ik hem tegenover het huis, wan­hopig opspringend naar zijn hoofd, dat in de kruin van een boom lag. Er naderde een meisje en zijn bewegingen werden steeds ver­twijfelder.

Uiteindelijk schijnt hij zijn hoofd toch op een of andere manier terug gekregen te hebben, want toen ik hem voor de derde maal zag, liep hij, genoeglijk fluitend en zijn hoofd weer dragend zoals ieder ander mens, door een drukke winkelstraat. Ik besloot hem te volgen en droeg er zorg voor. dat hij mij niet zag, door mij te ver­bergen achter de dikke gezinnen, die altijd door drukke winkel­straten lopen. Het was vermoeiend werk, want bijna voor iedere winkel bleef hij staan en vooral de bioscopen hadden zijn speciale aandacht. Ik begon het warm te krijgen en wilde juist mijn vervol­ging staken, en hem aanspreken (ongetwijfeld herinnerde hij mij zich nog van de voordrachtsavond bij onze gemeenschappelijke vriend), toen plotseling een scherp remmen klonk, gevolgd door de gil van een vrouw. De mensen voor mij weken terug en ik stond alleen aan de rand van het trottoir. Midden op de straat stond een auto, een paar meter daarachter lag op zijn rug mijn man. Zijn hoofd rolde in mijn richting en bleef tegen de stoeprand aanliggen. De man strekte zijn armen met een smekend gebaar naar mij uit en ik begreep, dat hij zijn hoofd terug wilde, maar zelf niet meer bij machte was het te bereiken. Even aarzelde ik, daarna bukte ik mij langzaam en nam het hoofd in mijn handen. De wangen voelden warm aan. Ik liep naar de man toe en legde het hoofd voorzichtig op zijn bord. Zijn vingers krampten, de mond vertrok en de ogen braken. De man was dood.

Toen zag ik voor het eerst dat het hoofd mijn hoofd was.

REMCO CAMPERT
(6-7-1948)


Een standaardwerk.
Grootse plannen zijn bij mij opgekomen na het lezen van „de Avonden", auteur Simon van het Reve. Ik zal ze natuurlijk eerst aan de goede Simon zelf overleggen want hij bracht me op het idee. Genoeglijk vervelend bij het haardvuur zullen we samen mijn plannen verder uitwerken. Denkt u eens in. Van „de Avonden" was Dr. P. H. Ritter Jr., die toch waarachtig voor geen kleintje vervaard is, twee dagen lang misselijk en Godfried Bomans zelfs veertien dagen. Wanneer er nu een vruchtbare samenwerking ontstaat tussen de brave Simon en mij dan zal spoedig een standaardwerk verschijnen op het ge­bied van het veroorzaken van misselijkheid in het algemeen en afschuw voor de medemens en zichzelf in het bijzonder. Een deel of tien had ik gedacht. Een aardig, vlot bandje er om heen, makkelijke druk (de Lutetia letter misschien?). Maar daar moet ik nog met de beste Simon over spreken. Het zal een werk worden om cadeau te geven aan een verre vijand, die eenzaam in de bergen woont, mijlen weg van een dokter. En in de dicht­bevolkte centra van de wereld zal men reeds bij het noemen van onze namen nerveuze kreten slaken en afwerende bewe­gingen maken. Misschien laten we nog een deel verfilmen in geniepige Technicolor-kleurtjes.

In het deel ,waarin we beschrijven de grote sadisten, die wij eigenlijk zijn, zal ik o.a. vertellen hoe ik de kat met slechts twee dagen mondvoorraad in een kast opsloot, waarvan ik wist, dat deze slechts eenmaal in de week werd geopend, name­lijk wanneer mijn moeder haar Zondagse jurk aantrok. Met die „Zondagse jurk" stip ik dan meteen even het in- en inburgerlijke milieu aan waarin ik ben opgegroeid. Hoe ik bloempotten naar de hoofden van passeerders mikte zonder ze bijtijds te waarschuwen zoals de toch-lang-niet-malse-Simon wel deed. Hij- verheugde zich in de schrik waarmee ze op zij hipten, ik was niet eerder tevreden voor ze hevig bloedend weggedragen werden. En dan) de mussenjacht, ook één van mijn vele wrede spellen.
Ik zal nog niets vertellen uit de andere delen, waarvan u on­passelijk wordt, dat is een verrassing. Ik weet trouwens Simons plannen nog niet. En wanneer dan iedereen vies van ieder ander en zichzelf is, verhuren wij onze namen aan een machtig zeepconcern: Wij blijven liever schoon, wij wassen ons met Palmolijf zeggen Simon van het Reve en

REMCO CAMPERT
(24-2-1948)