Een zolder in de Foeliedwarsstraat

 

Foeliedwarsstraat 26Abonnee Ron Peeters (geboren in 1940) schreef ons:

“Het artikel ‘Koopman in zuurwaren’ (over de Foeliedwarsstraat) heb ik met extra belangstelling gelezen. De inhoud van het bijgevoegde verhaal zal de reden daarvan denk ik wel duidelijk maken.
Een tijdsbeeld van eind jaren vijftig!"

Peeters woonde op nummer 26. Blijkens de Woonkaarten van het Bevolkingsregister, bewaard in het Stadsarchief, werd sit pand in juli 1964 gesloopt. Nu ligt hier de inrit van de IJunnel.  

"Als ik op het huis afloop zie ik een halve man. Hij heeft geen benen, alleen een bovenlijf dat uitsteekt boven het kelderluik. Op het luik liggen de onderdelen van een hulpmotor. De fiets waarop het ding gemonteerd is geweest staat tegen de muur naast hem. Hij zit met zijn smerige hoofd over zijn werk gebogen en zijn handen doen dingen die alleen hij begrijpt.

Ik schuif langs hem heen de openstaande deur door. Alhoewel ik flink uit de kluiten gewassen ben, moet ik niet veel van de man hebben. Hoe ongevaarlijk is een ongevaarlijke gek?

Zijn broer, de kolenboer, heeft een zaak op Rapenburg, vlakbij de kelder. Af en toe zie ik de motorbouwer met zijn fiets bij zijn broer tussen de bakken kolen staan. Hij kijkt naar de viertjes en vijfjes maar ziet ze niet. Als hij uit zijn kelder komt blijkt hij toch benen te hebben. De motor hoor ik wel eens stotteren.

Ik loop de trap op. Op één hoog woont ‘die Blauwe’, van wie we de zolderverdieping huren. Die Blauwe, zo genoemd om de couperose op haar wangen. Met haar grote uitgezakte gezicht ziet ze er uit als een middelbare vrouw. Maar ze is nog vitaal genoeg om de brugwachters bij de sluis aan het eind van de straat te belagen. Ze is uniformziek en af en toe slaagt ze er in één van de brugwachters mee naar huis te tronen. Zelfs met een verdieping ertussen is op zolder dan te horen dat de mensen van de Dienst Bruggen en Sluizen zich ook buiten hun directe werkgebied met 'verkeer' bezig houden.

De brug heeft een bezetting van twee man. Het opendraaien van de bruggen over de Schippersgracht en de Nieuwe Herengracht gaat elektrischen kan makkelijk door één man worden gedaan. Maar wanneer er een schuit voor de Kattenburgerbrug ligt is het anders. Daar moet met mankracht de brug dwars op het water worden gedraaid. In het midden van de brug zetten de brugwachters een draaiboom neer en beginnen elk aan een kant het ding in het rond te draaien. De Kattenburgerbrug openen betekent dat als één van de brugwachters in plaats van op de brug 'dienst doet bij die Blauwe’, zijn maat aan de bel komt rukken om hem te halen.

Op de tweede verdieping woon een oud echtpaar. Ik ken ze niet, ‘dag meneer, dag mevrouw’ daar blijft het bij. Zij willen kennelijk niet praten. Misschien maak ik wel teveel lawaai op zolder. De zolder is een open gladde  balatumvlakte. Mijn moeder’s bed staat tegen de linkermuur, mijn bed, deels uit het zicht, naast een in een kast geimproviseerd keukentje. Verder staan er een tafel en twee stoelen, een rek met kleding, een koffer met boeken en in de vensterbank van het kleine, schuinstaande zolderraam de laatste huishoudelijke aankoop, een radio met een pick-up onder de deksel.

Deksel omhoog, plaat erop, arm naar achteren en mijn moeder’s achtenzeventigtoeren platen of mijn vijfenveertigtoeren platen kunnen worden gedraaid. Ik heb er vier. De eerste, van Howard Keel en Kay Williams, heb ik van het Waterlooplein meegenomen, de andere drie zijn van Jonah Jones op trompet, die heb ik tijdens de vakantie in Engeland gekocht. En… er is ook nog een plaatje van ‘Joe Loss and his Orchestra’, strict dance tempo staat op de hoes. Die is voor 's zondagsmiddags wanneer m’n neef Bob en de vriendinen Miep en Ria komen. We nemen dan de danspassen door die we de avond ervoor in de dansschool hebben geleerd. Mijn moeder is meestal ook van de partij en kan waar we de fout ingaan, voordoen hoe het moet. Vrolijkheid in een straat die niet meer dan een steeg is.

In de plannen van de gemeente zal bij de aanleg van de IJtunnel de straat voor een deel verdwijnen, net als de huizen aan de Foeliestraat, die je vanuit het zolderraam kunt zien. Daar staat een loods van de zuurinleggerij van Zwaaf *, waar 's zondagmiddags de zuurkarren uitrijden en de venters “Juijenaaaahderojewijiji!!” roepen.

Is de straat  gedurende de week het terrein van spelende kinderen, van buuf met buuf en van de 'kolen'broer in vervoering, dan is ze in het weekend het domein van de kroeg op de hoek. De mannen uit de straat lopen er wat besmuikt maar nog rechtop naar toe, op de terugweg zijn ze dronken en hebben de muur als steun hard nodig. Dan komen ook Dekwaadsteniet en zijn zonen weer terug naar huis. Zij wonen bij ons in het benedenhuis en behalve een eigen voordeur is er een plaatsje naast het huis dat ze via een gangetje kunnen bereiken. Hier staan de vuilnisbak, flessen, kratten, vaten en dozen en een bezem die jaren ervoor voor het laatst is gebruikt toen moeder Dekwaadsteniet nog leefde.

Alhoewel hun naam anders doet vermoeden zijn de Dekwaadsteniets niet te vertrouwen. Ze leven aan de rand van de bovenwereld, de oudste zoon gaat er regelmatig overheen en de jongste af en toe. Beiden kennen de gevangenis van binnen. De vader zuipt en vecht, maar is nooit voor stelen opgepakt.

Op een dag hoor ik gestommel op het plaatsje beneden, ga op een stoel staan en hang uit het zolderraam. De oude Dekwaadsteniet ligt in zijn onderhemd op zijn rug en de jongste zoon zit bovenop zijn borst. Hij slaat de vader in het gezicht en schreeuwt lallend “ ik krijg je wel, ik maak je koud, ouwe kelerelijer". De oudste zoon staat ernaast en waggelend op zijn voeten roept hij:“ nee, niet doen laat mij want ik, ik ben de oudste".

De vader tast om zich heen, weet een fles te grijpen, hengst de jongste op zijn kop, kruipt onder hem vandaan en komt moeizaam overeind. Hij kotst de oudste zoon over zijn broek. Die springt vloekend opzij en de oude man vlucht de straat op. De kolenbroer doet zijn luik voor hem open en hij verdwijnt in het keldergat. Ik draai me om en denk 'een leuk verhaal om aan mijn moeder te vertellen wanneer ze vannacht thuiskomt'.

De Foeliedwarsstraat loopt van de Foeliestraat naar het Rapenburgerplein. Daar is de ijzeren ophaalbrug met ernaast het brugwachterhuisje van de vrienden van die Blauwe. Over de brug op de hoek van de Laagtekadijk en het Kadijksplein is het café waar mijn moeder stamgaste is. Ik kom er ook en leer er biljarten.Tante Marie is de kasteleinse. Haar man, ome Willem, is elektricien, hij werkt niet mee in het café. Mijn moeder vertelt hen over onze zolderkamer aan de Foeliedwarsstraat. Zij wonen aan de Kleine Kattenburgerstraat en hebben daar een eigen pandje waarvan wij wel een verdieping kunnen huren. De beslissing is niet moeilijk; tegelijk met mijn vertrek bij de Lettergieterij waar ik werk verhuizen we (eind 1959) naar Kattenburg.

 

 

Noot:
Uit "De laatste Joodse zuurventer van de  Amsterdamse eilanden" door  Barend Zwaaf: 

 

Israël Zwaaf begon zijn zuurinleggerij op de Joden Houttuinen 68 - 72 in 1916. Op nummer 68 werden door een ander bedrijf met de hand matzes gemaakt, op 70 en 72 woonden in totaal 16 bewoners, 2x 4 aan de voorzijde, 2 x 4 aan de achterzijde.

 

Israël stuurde zijn kinderen naar de school in de Valkenburgerstraat (Openbare Armenschool nummer 2). Op deze school zaten Joodse en niet-Joodse kinderen.

 

In 1926 ging Israël zijn zuurwaren venten met een handkar. Op zondag liep hij over de eilanden (Blankenstraat - Czaar Peterstraat - Conradstraat - Oostenburgervoorstraat - Oostenburgermiddenstraat - Wittenburgergracht - Kleine Wittenburgerstraat - Achtereind - Grote Wittenburgerstraat - Kattenburgerplein - Klein Kattenburg - Mariniersplein - Grote Kattenburgerstraat). Daar was hij de hele zondag mee bezig en zijn ventersroep wordt nog herinnerd:

 

"Ventersroep Israël Zwaaf:

 

Uitjes uit wijnazijn

 

Komkommer een cent

als je niet eet ga je dood,