Gedeelde Geschiedenis: Hoe Noraly Beyer haar Amsterdamse wortels ontdekte

Warmoesstraat 16m klnVrijdagmiddag 18 november 2016 vond in het Amsterdam Museum de aftrap ('kick off' heet dat tegenwoordig..) plaats van het prijzenswaardige gemeentelijke project Gedeelde Geschiedenis. Bedoeling is allerlei initiatieven te steunen die het besef van een -- in alle diversiteit -- gedeelde Amsterdamse geschiedenis willen bevorderen. 

Een van de sprekers was Noraly Beyer-Oostvriesland, van 1985 tot 2008 (!) presentator van het NOS-Journaal, nu actrice, columniste en onbezoldigd ambassadeur van de Bijlmer. In 1946 werd zij geboren in Willemsstad op Curacao,  uit Surinaamse ouders. Als twaalfjarige werd zij naar een Limburgse nonnenschool gestuurd. Met een Nederlands Pabo-diploma op zak werd ze journaliste in Suriname, maar keerde in 1983 terug.


Pas vorig jaar ontdekte zij hoe zeer haar familievehaal vervlochten is met de Amsterdamse koloniale geschiedenis.
Daarover hield zij een prachtige, persoonlijk getinte speech, die wij hier met haar instemming presenteren. (Red.)

 

 

ONVERWERKT VERLEDEN

Door NORALY BEYER(-OOSTVRIESLAND)

"Het moet ergens in de jaren '60 zijn geweest dat ik met twee broers op bezoek was geweest bij onze tante in Amsterdam. Via het Damrak liepen we terug naar het station. Opeens stond mijn jongere broer stil en zei: kijk! Hij wees naar een gevel van een huis aan de overkant van het water.  

We wisten niet zo gauw waarnaar we moesten kijken en wat we moesten zien. Kijk zei hij weer. Onze naam. En inderdaad, op de top van de gevel onder een rijkversierde lijst met twee zeemeerminnen en een groot wijnvat stond Oost Vries Lant.  Als mensen onze naam schreven moesten we er altijd bijzeggen “Oostvriesland met een v, niet met een f”.

En hier stond het zomaar goed. Midden in Amsterdam. Gebeiteld in de gevel van een huis onder het jaartal 1740. We rekenden ons direct rijk want hoopten dat we na dik 200 jaar eindelijk ons deel konden gaan opeisen  van… ja van wie en van wat eigenlijk.
De speurtocht die we daarna inzetten leverde  in eerste instanti niet veel op.

Pas vorig jaar ontdekte ik dat Egbert van Emden, een Asjekanazische Jood uit Amsterdam, met roots in Ostfriesland, als 19-jarige jongeman naar Suriname was gegaan om zijn geluk te beproeven. Hij werd een aanzienlijk man met plantages en bijbehorende slaven, door zijn huwelijk een aantal jaren later, met  de 19-jarige Gracia de la Parra,  dochter van een van de rijkste Sefardisch-Joodse families in Paramaribo.  Nauwelijks een jaar later overleed Gracia in het kraambed van haar eerste kind. Het jongetje, Evert, werd gezoogd door de slavin Sophietje. Zij werd later vrij gekocht door Van Emden, waarna hij haar de achternaam Oostvriesland gaf. Ziedaar de oorsprong van mijn meisjesnaam. En ziedaar het bewijs dat onze familienaam terug te voeren is op de koloniale geschiedenis van Nederland.  Er zijn veel speculaties dat de Oostvrieslands ook bloeddragers zijn van Van Emden, maar afgezien van onze gekleurde huid hebben we geen enkel bewijs.

Blijft de vraag:  hoe komt deze naam nu terecht op de achtergevel van het pand aan de Warmoesstraat 16, dat doorloopt naar het Damrak? Bekend is dat het huis in 1735 gekocht is door wijnkoper Christiaan Lankhorst en vijf jaar later, in 1740, door hem gerestaureerd is. In de annalen van de belastingdienst uit die tijd staat dat hij geld heeft,  en omdat hij drie dienstboden had, ook nog een halve kapitalist is. Het wijnvat in de versiering van de gevel verwijst naar zijn beroep. Maar het waarom van de naam Oostvrieslant is nergens verklaard.

Vroeger, toen ik nog kind was op Curacao, leerde ik op school het lied “In Holland staat een huis”. Ik zong uit volle borst mee, al had ik geen idee wat en waar Holland was.

In mijn jeugd leerde ik nog veel meer Hollandse liedjes… Jan Huygen in de ton… … Twee emmertjes water halen….Altijd is Kortjakje ziek… In een groen groen knollenland… Waar de blanke top der duinen. Allemaal teksten die in feite heel ver van mijn bed stonden;  ik wist niet wat een dorpspomp was en de dorre grond van mijn eiland was absoluut geen groen knollenland met konijnen en koeien. Bij ons waren er geiten die altijd erop uit waren om de planten kaal te vreten, die mijn moeder met moeite liet groeien op het erf.  Het liedje Vader Jacob gaf wel herkenning, omdat ik een oom had die zo heette en ook graag sliep.  Alle boekjes op school kwamen uit Holland en refereerden natuurlijk allemaal ook aan het Hollandse leven. Ik kon de provincies en hun hoofdsteden opdreunen en leerde ook dat de Rijn bij Lobith ons land binnenkwam. ONS land. Het wàs dat mijn moeder mooie spookverhalen kende uit Suriname, waar ze vandaan kwam, en die graag aan ons vertelde. In háár kinderjaren had ze mogelijk nog veel meer binnen gekregen met de Hollandse paplepel. Toch wist zij verhalen aan ons door te geven die duidelijk niet uit die Hollandse pot kwamen.   

Toen ik 12 jaar was stuurde ze mij naar een kostschool in Holland. Bij het afscheid zei ze :  ‘Doe je best. Geef mij geen schande”… Woorden die ze later talloze malen zou herhalen in haar brieven aan mij. De vliegreis ging via New York.  We moesten overstappen en wachten op de verbinding naar Amsterdam. Jaren later, toen mijn moeder al overleden was, vond ik in een schoenendoos de ansichtkaart met wolkenkrabbers erop, die ik haar had gestuurd vanaf het vliegveld in New York. Met kinderlijke blijheid had ik geschreven dat New York zo groot en zo mooi is dat ik er zeker een keer terug wil komen. Er stond niet bij dat ik haar mis en met haar ons huis, ons eiland, de tropen.

Dat zou veel later komen, toen de nieuwigheid van Holland ging slijten en ik maar niet kon wennen aan de kou en de aardappelen met draadjesvlees en jus. Ik had me erbij neergelegd dat mensen me wilden aanraken. Ze noemden me moorkop. Ik noemde hen kaaskop. Soms zeiden ze dat ik een missiekind was. Dan dacht ik terug aan de collectebus van Memisa op de lessenaar van mijn juf op Curacao, in de zesde klas lagere school. Af en toe rammelde ze ermee om ons te herinneren aan een bijdrage  voor de missiekindjes in Afrika. Nu bleek ik zelf een missiekind te zijn.

Ik sloofde me uit om andere kinderen uit te leggen dat mijn ouders in Suriname waren geboren, dat Curacao een eiland in de Caraibische zee is en niet de hoofdstad van Suriname en dat je dus niet kon rijden van Curacao naar Suriname. Lang niet iedereen vond het normaal dat ik Nederlands sprak  en dat ik kon meepraten over Pietje Bell, Dik Trom, Flipje, Afkes Tiental, Michiel de Ruyter, Piet Hein. Ik deed wat ik kon en stortte me vol overgave in dit omgekeerde missiewerk. De leerstof op de middelbare school over de geschiedenis, de topografie, de mensen en de cultuur van de overzeese gebiedsdelen van het Koninkrijk was zo summier dat ik afhankelijk werd van mijn fantasie om mezelf te duiden.  Ik verzon vaak wilde verhalen over de toverkunst van mijn moeder en over het exotische voedsel dat zij ons gaf.

Mijn voorstellingsvermogen werd waarheidsgetrouwer toen ik een jaar of 14 was en de film Faya Lobi zag van Herman van der Horst.

Faya Lobi,  betekent Vurige Liefde. Het isook de naam van de populairste bloem van Suriname, meestal felrood. Ik had van mijn ouders en hun Surinaamse familie en vrienden op Curacao veel verhalen gehoord over hun geboorteland. Maar nu zag ik voor het eerst, diep in het zuiden van Limburg,  ver van de grond waar mijn ouders zijn geboren, bewegende beelden van Suriname. Ik werd gegrepen door de wonderschone pracht van het binnenland en van de mensen in Suriname. Ik wilde direct nog meer weten over dat land.

Ik las Zuid Zuid West, het debuut van Albert Helman,  een lofzang op Suriname, “een land dat schittert in de zon en toch bezwijkt onder de verwaarlozing en uitbuiting en vooral de liefdeloosheid van de Nederlandse kolonisator”.  Niet eerder had een boek zo’n groot verlangen bij mij opgeroepen naar iets wat mij vreemd is en ook weer niet. De reikwijdte van Helmans tirade in de epiloog kon ik toen nog niet helemaal bevatten, maar het wakkerde bij mij wel een vuur aan om te onderzoeken hoe het nu zat met de geschiedenis van Nederland en Suriname. In de epiloog noemt Helman zich  ‘kind van een land dat ik sterven zie en verzinken in een bodemloos moeras’  …‘ een ver land dat ik verschrompelen zie tot een dorre woestijn’. …
om vervolgens flink van leer te trekken tegen de Hollanders. Hij schrijft:  “Ik durf het u zeggen, zondagsbrave kooplieden. Dit is UW schuld. “

Nederland nam onmiddellijk wraak en blokkeerde een hoogleraarschap van Helman.

Ik heb het genoegen gehad om Albert Helman te leren kennen als Lou Lichtveld,  zoals hij echt heette. Dat was vele jaren later, toen ik allang van de middelbare school af was, een hele tijd in Suriname had gewoond en weer terug was gekomen nadat de militairen daar zich hadden vergrepen aan 15 onschuldige mannen en hen hadden vermoord. Lou was inmiddels al halverwege de 70 maar nog steeds even rebels, even strijdlustig en even venijnig als altijd.

Al bij onze eerste ontmoeting in een radiostudio hier in Amsterdam nam hij mij terzijde om  zeer beslist  te zeggen dat de tiran, het monster, in Suriname verdreven moest worden, dat hij er een hard hoofd in had dat Nederland zou helpen, (daarvoor kende hij ze nu te goed) en dat we daarom zelf  iets moesten doen. Lou deed wat híj goed kon. Schrijven!

Als zijn woorden hadden kunnen doden, had Suriname nu geen president die hoofdverdachte is van de decembermoorden. 

Lou was een allesweter met een enorme kennis van muziek, politiek, wetenschap en de wereld die hij tot in verre uithoeken had afgereisd. Hij kende de Nederlandse koloniale geschiedenis op zijn duimpje en had een haat-liefde verhouding met de verbondenheid van Nederland en Suriname. ‘Ze zitten aan elkaar vast met een zonderlinge navelstreng, niemand kan die doorsnijden”  zei hij. Beide landen waren hem dierbaar en daarom juist was hij mateloos scherp in zijn kritiek op onbenul en onwetendheid, op uitbuiting en winstbejag, op onrecht en ongelijkwaardigheid, op fascisme, op racisme. Van hem heb ik geleerd dat je de geschiedenis moet kennen om het heden te kunnen begrijpen, dat je anders hopeloos en redeloos de toekomst in gaat, en dat je altijd altijd op moet komen voor gerechtigheid en vrede.   

Deze gedachte is de leidraad geworden van de Stichting Julius Leeftwaarvan ik voorzitter ben. De Stichting is 11 jaar geleden opgericht en maakt sindsdien elk jaar een voorstelling over een gevoelig onderwerp in de gedeelde geschiedenis van Nederland en  haar voormalige koloniën. Onder meer over thema’s  als het slavernijverleden, genoemde decembermoorden in Suriname en de treinkaping van Molukkers in 1977.  De voorstellingen maken  meestal diepe emoties los. Van de voorstelling over de decembermoorden herinner ik me niet alleen veel tranen maar ook een zekere opluchting. Eindelijk was dat verleden wat weggestopt was en onverwerkt was gebleven een beetje aan de oppervlakte gekomen. Eindelijk werd erover gepraat. Eindelijk kon het verdriet gedeeld worden.

Kunst leent zich bij uitstek ervoor om het gesprek met elkaar aan te gaan, over ons leven,  over de  geschiedenis  die we met elkaar delen, over ons onverwerkt verleden. In deze verwarrende tijden van populisme en schaamteloosheid kunnen we troost vinden bij mensen en instellingen die het verleden laten spreken en ons collectieve geheugen opschonen.

Tot slot, nog even terug naar het Damrak. Ik wil daarover nog zeggen dat het ons eigenlijk niet deert dat we niet weten waarom onze naam op een huis aan het Damrak staat.  

Het feit alleen dat onze familienaam in steen gebeiteld is in de hoofdstad van Nederland is een onmiskenbare aanwijzing dat Nederland en Suriname een geschiedenis met elkaar delen. Het is voor mij een goed wapen, tegen onwetendheid, achterdocht en xenofobie, vermomd in vragen als, wat doe je hier, wanneer ga je terug naar je land, hoe komt dat je zo goed Nederlands spreekt.

Sinds dat moment dat mijn broers en ik stonden te dagdromen bij het Damrak staat het voor mij vast dat Nederland, met name Amsterdam, en ik een geschiedenis delen en dat wij bij elkaar horen. "

Noraly Beyer