Uit het dagboek van kappersdochter Annie van Velsen (22)

"Maandag 24 Juli (1924)
Zaterdagavond kwam Deppe nog even bij ons, om Arnold te halen; wat is hij toch onbeduidend!
Gisteren zijn Germaine en ik naar Bussem gaan fietsen. Wij hebben ons brood om half twee opgegeten in de villa die haar vader daar heeft laten bouwen, en die nu te koop staat. Om zeven uur waren wij alweer in A'dam en langs het Paleis [voor Volksvlijt, Frederiksplein - red.] fietsende zag ik Moe en Pa die daar zaten te dineeren. Ik gauw naar huis, mijn andere costume aangetrokken en toen naar het paleis om ook wat te eten.

Toen ik Pa en Moe vertelde dat Germaine nu de gehelen avond alleen thuis was, vonden zij het dadelijk goed  dat ik haar zou telephoneeren om te vragen of zij met ons uit wilde, hetgeen zij acccepteerde. Daar er op het terras van Mide Colonnes geen plaats was, hebben wij aan de Rembrandt-Bar gezeten: tamelijk vervelend. 

Woensdag 2 Augustus
Van de week was ik steeds in de vaste verbeelding dat ik gek ging worden. Het was zoo erg dat ik 's nachts in doodsangst Moe wakker geroepen heb. Eergisteren was ik ook weer zoo zenuwachtig, zodat ik vandaag Dokter de Lange opgebeld heb om eens naar me te komen zien. Hij kwam reeds om half drie. Moe was nog niet thuis en Pa was beneden, zoodat ik alleen met hem naar den salon ben gegaan.
Nauwelijks bovengekomen, begin ik te huilen, ik zeide dat hij dat maar niet kwalijk moest nemen, maar de dokter was heel aardig en zeide mij dat hij juist was gekomen om mij eraf te helpen. Hij vroeg mij of ik dat sinds lang had dat ik zoo zenuwachtig was en hoe of ik dacht dat het kwam. Ik verrtelde hem dat het denkelijk kwam door de last dien ik met personeel in de andere zaak had gehad. Hij scheen mij niet erg te gelooven en vroeg mij: Heeft u niets gehad..., en toeb vastbesloten: Is het niets over liefde? Ja,... ik wil het niet weten, als u het niet vertellen wilt. Ik: Neen, heusch niet!
De dokter: Nu, het zou toch niets te verwonderen zijn als je er nogal knap uitziet zooals u.
Dus hij dacht dat ik verdriet had om den een of anderen jongeling.
Gek dat hij niet geloofde dathet door den zaak kwam. Ikzelf weet ook niet of het daar wel van is, ik denk eerder dat het komt doordat ik steeds maar denk: Had iemand mijn maar lief! Dus de dokter had toch nog niet zoo heel verkeerd gezien.