Uit het dagboek van kappersdochter Annie van Velsen (11)

"Zondagavond [25 juni 1916] kwart over tien
Germaine [Franstalige nieuwe kennis - red.]  is mij erg meegevallen. Ik vond haar zelfs een heel aardig meisje en ik denk dat wij samen goed op zullen schieten.
Vanmiddag om half twee ben ik haar gaan halen. Op weg naar Zandvoort was ons gesprek reeds in vollen gang. En later, toen wij liepen te wandelen, werd het vertrouwelijker.
Aan het strand zagen wij Weenink en Flip Mellenberg [vrienden van Annies broer - red.] die met een dame stonden te praten.

Mellenberg nam zijn hoed af toen hij mij zag. Germaine vertelde mij dat hij haar nooit groet en haar letterlijk niet ziet staan. Dus ik hoef mij er niet meer bezorgd over te maken dat hij me niet groeten zal. Toen wij den tweeden keer langs gingen, stond Mellenberg nog over den badstoel gebogen met de dame te praten, doch wij zijn omgeloopen, opdat hij mij niet zien zou. Gedurende de tereugreis hebben Germaine en ik nog een beetje gelachen en meteen afgesproken als het morgenavond mooi weer is te gaan fietsen.
Moe en Pa zijn vanavond naar Evers om te feliciteeren. Mijnheer is jarig en ik wilde niet mede gaan, dus ben ik den gehelen Zondagavond alleen thuis en heb ik naturlijk maar weer den toevlucht genomen tot mijn dagboek. Eerst heb ik eene flink uitgehuild, waarom? Ja, dat is haast niet uit te leggen. Ik heb van die oogenblikken dat ik mij bepaald ongelukkig gevoel, terwijl ik toch alle reden heb gelukkig te zijn, doch dan gevoel ik mij onder alle menschen die ik om mij heen heb zoo eenzaam en dan heb ik maar liefst dat zij mij alleen thuislaten om eens goed uit te huilen. Zoo gevoelde ik mij vanavond ook weer, dan begrijp ik eerst ten volle dat ik iets mis. En hetgeen mij ontbreekt dat is iemand die mij liefheeft en waar ik voor zou kunnen leven. En als ik daar dan over ga nadenken, dan word ik zoo treurig en zeg tot mij zelf:  zou het nu mijn hele leven zoo blijven?"