Geen plak maar wel pionier

Rie BeisenherzNederlands eerste Olympisch zwemster: Rie Beisenherz 

(Ter gelegenheid van de Olympische Spelen plaatsen we op de website dit artikel, dat voor ons zomernummer te laat kwam... Zie ook de openingspagina 'In beeld: De allereerste Olympische vrouw'  in dit juli-augustusnummer 2016.)) 

 

TEKST: Josje van der Sloot

De Amsterdamse zwemster Rie Beisenherz (1901-1992) was de allereerste Nederlandse vrouw die meedeed aan de Olympische Spelen. Om mee te mogen doen moest ze voorzwemmen in een zwembad, afgeschot in het IJ. Ze kwam uit op de 100 meter borstcrawl in Antwerpen in 1920.

De Amerikaanse zwemsters waren haar te snel af, waardoor ze geen medaille haalde, wel zwom ze een Nederlands record en was ze de snelste Europese. Daarmee schreef ze sportgeschiedenis en plaveide de weg voor de vele gouden Nederlandse zwemprestaties zoals die van Marie Braun (1928), Nida Senff (1936) Rie Mastenbroek (1936), Nel van Vliet (1948), Ada Kok (1968), Jolanda de Rover (1984), Petra van Staveren (1988), Inge de Bruin (2000/2004) en Ranomie Kromowidjojo (2012) (in een tijd van 53 seconden).[1]

In 1912 in Stockholm namen voor het eerst vrouwelijke zwemsters deel aan een Olympische Spelen. De oprichter van dit grootste sportevenement sinds 1896, Baron Pierre de Coubertin zag er eigenlijk niets in om vrouwen te laten deelnemen. Hij was een tegenstander van ‘Olympiades voor vrouwen’[2] Hij vond vrouwen die zich in het zweet werkten onesthetisch. Tenslotte waren er bij de klassieke Griekse Olympische Spelen ook geen vrouwelijke deelneemsters.

Maar ondanks het feit dat sportbobo’s of andere zuurpruimen wedstrijdsporten voor vrouwen onacceptabel vonden, waren er weinig vrouwen die zich hierdoor lieten ontmoedigen. Vanaf de jaren 80 in de 19e eeuw maakten vrouwen hun sportieve opmars, tenminste als ze er de tijd en het geld voor hadden. Vrouwen deden aan boogschieten en gymnastiek. Ze gingen fietsen, tennissen, roeien, hockeyen, schermen en al heel vroeg was zwemmen populair. In Amsterdam was in 1886, heel progressief, de Hollandsche Dames Zwemclub opgericht. In het zogenaamde zwembad Obelt aan de De Ruijterkade kregen zij toestemming om een aantal uren per week zwemlessen voor vrouwen te verzorgen. In de kapsalons in de buurt van het zwembad waren al veel vrouwen gesignaleerd die hun haren lieten knippen voor het zwemmen. Daarnaast gaf de HDZ lessen in reddingszwemmen en organiseerden ze feesten. Tijdens zo’n zwemfeest werd er gestreden om prijzen in snelzwemmen, popduiken, tobbenzwemmen en schoonspringen en fraaizwemmen, waarbij de jury (vaak mannen) vanuit een bootje de prestaties beoordeelde. In het allereerste begin droegen de zwemsters nog hun gewone jurken en rijglaarsjes tijdens de wedstrijden maar zo’n 30 jaar later, tijdens de Olympische Spelen van 1920 droeg men moderne, wollen badpakken, of zelfs dunne doorzichtige zwemtenues. Ook het vrouwelijk publiek kwam graag op de zwemwedstrijden af. De combinatie van snelheid, moed en gevaar bood veel spektakel en een life band vergrootte de feestvreugde.

 

Jonge Waterratten

De Amsterdamse Maria Martha Beisenherz behoorde ook tot die enthousiastelingen. Ze had al op 10-jarige leeftijd haar zwemdiploma gehaald. Haar interesse voor zwemmen was al vroeg gewekt doordat haar vader lid was van de Amsterdamsche Zwemclub (opgericht in 1870 ). Voor haar 13e verjaardag kreeg ze van haar ouders als verjaardagscadeau een lidmaatschap van de Hollandsche Dames Zwemclub. De burgerdames vond haar echter nog te jong, ze konden tenslotte geen kinderen toelaten. Rie bleef echter niet afwachten en richtte samen met een zestal vriendinnen een eigen club De Jonge Wateratten op. Iedere zaterdag organiseerden ze wedstrijden in het eerste overdekte zwembad van Amsterdam, het Heiligewegbad, (1896), waar fanatiek gestreden werd om door henzelf meegebrachte prijzen. Ze waren zo gedreven dat er ‘heel wat donatrices’ aangestoken werden. Zo ontstond de Amsterdamsche Dames Zwemclub die op 5 maart 1914 officieel werd opgericht.[3]

Maar Rie’s ambities gingen veel verder. Ze droomde van deelname aan de Olympische Spelen. Die van 1916 waren niet doorgegaan in verband met de Eerste Wereldoorlog (1914-1918). Maar de Spelen van 1920 vonden wel plaats en Rie bereidde zich nauwgezet voor. ’s Morgensvroeg voor dag en dauw nam zij de pont naar Obelts zwembad aan de overkant van het IJ om te trainen. Terug ging ze samen met de fabrieksarbeiders. Het was geen gelopen race dat ze zou worden uitgezonden naar de Spelen. De Zwembond kwam hoogstpersoonlijk naar het IJ om haar zwemprestaties te beoordelen. Na veel vijven en zessen kreeg ze toestemming af te reizen naar de Olympische Spelen.[4]

Deze vonden plaats in het door de oorlog getroffen Antwerpen. De verliezers van de oorlog, onder andere Duitsland en Oostenrijk waren niet uitgenodigd. In het Beerschot stadion vond de openingsceremonie plaats in aanwezigheid van Koning Albert I. Voor het eerst in de Olympische geschiedenis werd de vlag met de vijf ringen gehesen die gedurende de hele Spelen zou blijven wapperen. Ook werd voor het eerst de Olympische eed uitgesproken. Voor vrouwen waren er zwem- en duikwedstrijden. Er zou gestreden worden op de 100 en 300 m vrije slag. Het zwembassin en duiktoren waren aangelegd in het zwarte water van de gracht van de oude omwalling van Antwerpen en dit water was, ondanks dat het augustus was, ijskoud. De waterpolowedstrijden moesten worden ingekort vanwege de kou.

Over haar avonturen in Antwerpen vertelt Rie in De Zwemkroniek, het huisblad van de Nederlandse Zwembond, van augustus 1989. Ze had nooit een trainer gehad: “Je trainde jezelf en daarna kwam het wedstrijdgebeuren.” Ze was goed in borstcrawl, die ze pas sinds kort had geleerd door te kijken naar het zwemmen van enkele in de Eerste Wereldoorlog geëvacueerde Belgen van de ‘Circle Natation Belge’.[5]

Haar vader zou haar vergezellen naar Antwerpen. Ze had van de Bond een treinkaartje derde klas gekregen. Samen met hem verbleef ze in een hotel en niet op de boot de Hollandia, want ze was de enige vrouw tussen de zwemmers en de voetballers. Rie betreurde het dat er voor de Nederlandse ploeg nog niet zoiets bestond als Olympische kleding. Het enige dat ze van de Zwembond kreeg was een klein vlaggetje en een kartonnen toegangsbewijs dat ze om haar hals kon hangen.

Er waren veel Amerikaanse zwemsters die al de ‘flying start’ kenden. Rie was gewend bij het starten om rechtop te staan met haar handen langs haar lichaam en dan zo’n beetje schuin het water in te duiken. De Amerikaanse meisjes stonden ver voorover gebogen met de handen op de knieën, helemaal in wedstrijdhouding. Van de weeromstuit deed Rie dit ook maar.[6]

Rie haalde uiteindelijk de finale niet. Tegen het Amerikaanse zwemtalent was ze nog niet opgewassen. Wel zwom ze een nieuw Nederlands en Europees record in 1.22.4. Goud won de Amerikaanse Ethelda Bleibtrey in een tijd van 1.13.6.

De Amerikaanse zwemsters waren een klasse apart. In Amerika was zwemmen al sinds de jaren 70 van de 19e eeuw erg populair. Er werden drijvende zwembaden aangelegd waar zowel mannen en vrouwen mochten zwemmen. De ene dag de mannen de andere dag de vrouwen. Het zwemmen was gratis en de mensen stonden in lange rijen om naar binnen te mogen. Bij wedstrijden, bijvoorbeeld in New York, verdrong een grote menigte zich op de oevers van de East River als vrouwen raceten op de halve mijl.

In 1920 deed het Amerikaanse vrouwenteam het uitzonderlijk goed op de Spelen. Ze namen alle gouden alle medailles die er te winnen waren mee naar huis. Ethelda Bleibtrey wist op 100 meter, de 300 meter en op de 4x 100m estafette goud te behalen. Zij was daarmee de allereerste Amerikaanse Olympisch kampioene. In totaal zwom zij tijdens deze spelen vijf wedstrijden (inclusief de voorrondes) en wist in elke race een wereldrecordtijd neer te zetten. Zij was nota bene gaan zwemmen om te herstellen van polio.[7]

Rie zwom een Nederlands record: 1.33.4. Ze was al met al dik tevreden met haar prestatie en dat waren de Amsterdammers ook, want na de Olympische Spelen werd ze uitbundig binnengehaald door de Amsterdamsche Dames Zwemclub en werd er flink gefeest. Rie zou tot op hoge leeftijd blijven zwemmen. Bij de Spelen van Amsterdam hielp ze mee als vrijwilligster en werd ze nog eens herinnerd aan de spanning die ze voelde toen ze als allereerste Nederlandse vrouw deelnam aan de Spelen.

 


[1] Jos van Kuijeren en John Volkers, Zwemmen in goud (Nieuwegein 2008)

[2] G. Schaller (red.), De Olympsche spelen van Athene tot Athene 1896-2004, (Lausanne 2004), 13.

[3] De Amsterdamsche Dames Zwemclub (1914-1939) blz 15.

[4] Interview met Rie Beisenherz in De Zwemkroniek, officieel orgaan van de Nederlandse Zwembond, augustus 1986. (blz. 638-39).

[5] Zwemkroniek, idem.

[6] Idem.

[7] Lisa Bier, Fighting the Current, the rise of American Women’s Swimming, 1870-1926, (Jefferson NC 2011) 115-119.