Studenten vertellen over het arbeidersbuurtenproject

school

In het meinummer van Ons Amsterdam sluiten we het project over naoorlogse Amsterdamse arbeidersbuurten af. In het kader van deze grande finale besteden we ook aandacht aan degenen die de artikelenserie mogelijk hebben gemaakt. 

Vandaag in de schijnwerpers: enkele masterstudenten die onder leiding van prof. dr. Jan Hein Furnée en historica Jeltsje van der Woude vele interviews hebben afgenomen die een belangrijke bron vormden voor de artikelen over de Jordaan, de Indische buurt en Tuindorp Buiksloot.

De achttien masterstudenten die zich samen met Furnée en Van der Woude op de drie buurten stortten hadden verschillende redenen om zich voor het project aan te melden. Daar de masteropleiding Geschiedenis aan de UvA breed is, waren sommige studenten bijvoorbeeld nog nooit in aanraking gekomen met stadsgeschiedenis en oral history. Zo vertelt Emma Spijkerman: ‘Ik meldde me aan omdat dit een cursus was die ik normaliter misschien niet zo snel zou hebben gekozen, omdat ik voornamelijk geïnteresseerd ben in Azië. Amsterdam kende ik nog niet zo goed en met stadsgeschiedenis was ik nooit echt bezig.’ Medestudente Roos Varekamp was juist wél goed bekend met Amsterdam. Zo vertelt ze: ‘Ik wilde aan deze werkgroep deelnemen, omdat ik zelf uit een volksbuurt kom, de Pijp, en ik mij graag in dit onderwerp wilde verdiepen. Mijn keuze viel op de Jordaan. Ik wilde graag een Jordanees interviewen, omdat deze mensen met hun heerlijke accent mij intrigeren.’ Voor sommigen was het de onderzoeksmethode die de doorslag gaf: 'Voor mijn masterscriptie was ik voornemens Franse dorpelingen te interviewen over het door hen ervaren dorpsleven.' vertelt Suzanne Rietmeijer. 'Omdat ik dit nog nooit had gedaan meldde ik me aan voor deze projectgroep. Dat het afnemen van een interview zo gemakkelijk niet is, bleek al vrij snel!' 

Maar, zonder gesprekspartners uiteraard geen interviews, dus werd in de aanloop naar het arbeidersbuurtenproject eind 2014 Jeltsje van der Woude benaderd. Zij had net haar scriptie voor de master Publieksgeschiedenis ingeleverd en werd door haar begeleider dr. Paul Knevel gevraagd of zij zin had om mee te doen aan dit project. Ze besloot haar plannen om te beginnen aan de lerarenopleiding voor deze kans nog een half jaar op te schuiven.  ‘Wat me met name aantrok, was de afwisseling van verschillende werkzaamheden: aan de ene kant het contact met interviewkandidaten, studenten, de UvA en Ons Amsterdam en aan de andere kant het zelfstandige archiefonderzoek en schrijven op een kamertje met prachtig uitzicht in het P.C. Hoofthuis.’

Van der Woude wist op verschillende manieren interviewkandidaten te strikken voor het project. Zo deed zij een oproep in stadsblad De Echo waar veel reacties op kwamen uit de verschillende buurten. Ook haar aanwezigheid bij de bingoavond in buurthuis De Driehoek in Tuindorp Buiksloot leverde een paar kandidaten op. Hetzelfde was het geval bij een bezoek aan het Ouderenontmoetingscentrum in de Jordaan. ‘Het viel me op dat vooral oud-bewoners van de Indische Buurt, die nu vaak niet meer in de buurt wonen, graag wilden vertellen over hun ervaringen. Soms moest ik mensen hevig teleurstellen als ik vertelde dat we al genoeg kandidaten hadden. Toch was er ook veel bescheidenheid: mensen die niet wisten of zij wel genoeg wisten over hun buurt, terwijl we in dit project juist op zoek waren naar 'gewone' ervaringen over het dagelijkse leven van vroeger.’

Het interviewen van oud-bewoners van deze buurten was een belevenis. Zo werden de studenten overal gastvrij en vriendelijk onthaald. Dat de sfeer prettig en ontspannen was, onderschrijft ook Emma Spijkerman: ‘We werden overal hartelijk ontvangen, soms zelfs in onderbroek, en we kregen overal iets te drinken aangeboden.’ Suzanne Rietmeijer en Max Haanen reisden samen af naar een bejaardentehuis in Amsterdam Noord, waar zij door het verplegend personeel werden verwacht en geholpen werden om een fijne plek te vinden waar het interview kon plaatsvinden.

Bij het bedrijven van oral history komt echter meer kijken dan een vriendelijke ontvangst. Zo hadden de studenten vragenlijsten opgesteld in de hoop op enkele thema’s dieper in te kunnen gaan. Je moet het gesprek echter wel op gang houden. Dat dat soms lastig is bewijst het verhaal van Lara Moerer: ‘Bij mijn eerste interview werden er korte antwoorden gegeven zoals: "Nee, dat kan ik me niet zo herinneren" en "Ja, dat was gewoon zo". Daardoor merkte ik dat ik simpelweg te snel door mijn vragen heen was.’

Ook andere studenten bemerkten dat interviewen een vak apart is. Paul van Dijk: ‘Het is moeilijk om mensen te onderbreken en van onderwerp te veranderen. Het is een soort keukentafelgesprek, geen onpersoonlijk interview, en dat is soms lastig met vreemden.’ Door deelname aan het project leerde ook Max Haanen veel over het afnemen van interviews: ‘Bij de ene kandidaat was het interviewen soms wat moeilijker, omdat iemand bijvoorbeeld treurig was, maar bij de ander ging het vrij gemakkelijk. Het is vooral erg belangrijk om stiltes te laten vallen en geduldig te zijn. Dan vertellen mensen vrij veel uit zichzelf. Toch moet je ook gerichte vragen stellen, want anders dwalen mensen erg af.’

Maar wat was nu eigenlijk het resultaat van de vele gesprekken die de masterstudenten en Van der Woude voerden? Werden de verschillende stereotyperingen over de buurten bevestigd? Waren deze arbeidersbuurten inderdaad erg gesloten, gewapend met een eigen moraal en een gedeelde levensstijl? Van der Woude vertelt: ‘Bij dit project waren we continu op zoek naar het nuanceren van het stigma dat mensen uit arbeidersbuurten met zich meedragen. In het interview dat ik zelf heb gehouden viel het me het meest op dat dit beeld door de kandidaat meer werd bevestigd dan ik had gedacht. De buurten waren echt een wereldje op zich met alle smakelijke anekdotes die daarbij horen. Dat verbaasde me ook bij het lezen van de andere interviews: de enorme openheid van mensen als je ze vraagt naar hun jeugd: net alsof ze hun jeugd dan weer even herbeleven.’

En wat vonden de studenten opmerkelijk? Paul van Dijk over de Jordaan: ‘Ik vond het erg mooi om te zien hoe deze mensen hun levens geleid hebben en hoe zij zichzelf in de arbeidersbuurt plaatsten. Tegelijkertijd viel het me op dat de Jordaan, misschien net als andere 'arbeidersbuurten', geprezen om de brede sociale, religieuze en etnische insluiting, zwaar leunde op een gedeelde levensstijl waarbij afwijking daadwerkelijk bestraft werd.’ Het verdwijnen van de typische Jordanese cultuur was voor Roos Varekamp juist opmerkelijk: ‘Ik vind het erg jammer dat “de Jordanees” écht aan het uitsterven is. En dat vooral het accent aan het vervagen is. Zonde, want dat is immers erg kenmerkend voor de volksbuurt.’

Het bedrijven van oral history, het verwerken van deze informatie en de enorme waarde van de afgenomen interviews was voor de studenten een eye-opener. Door dit project groeide het besef onder de studenten dat er veel geschiedenis is, waar simpelweg nooit naar gevraagd wordt. Mooie, ontroerende, verdrietige en opmerkelijke verhalen. Emma Spijkerman vat dit op treffende wijze samen: ‘Achter elke voordeur schuilt een verhaal. Het is aan de cultuurhistoricus om deze verhalen met behulp van oral history te ontdekken en op te schrijven, opdat de geschiedenis van een buurt echt tot leven kan komen.’

(Beeld: de Sumatraschool in de Indische Buurt 1952, bron: geheugenvanoost.nl)