Interview met 'import-Jordanees'

Lindengracht MonumentjeOns interview-project over naoorlogse arbeidersbuurten, in samenwerking met de Universiteit van Amsterdam, leverde zo veel materiaal op dat we daarvan maar een bescheiden deel in ons blad zelf konden verwerken in de vorm van samenvattende artikelen over enkele relevante thema’s. Sommige geïnterviewden werden zelfs helemaal niet geciteerd in ons blad, terwijl ze toch prachtige verhalen hadden.

Heel mooi en inzichtgevend was zeker het interview met Eduard (zijn achternaam ziet hij liever niet vermeld) uit de Jordaan. Hij is geen geboren Jordaner: woont er ‘pas’ zo’n 35 jaar (nou ja, de laatste zes jaar nét erbuiten). Maar hij kent de buurt wel bovenmatig goed, omdat hij er tientallen jaren werkte als barkeeper.

Geschiedenisstudenten Sarah de Boer en Walt van der Hoeven hoorden hem vorig voorjaar uit op het terras van café De Twee Zwaantjes op de Prinsengracht, populair bij de ware liefhebber van het Jordaanlied. Hier presenteren we nu alsnog een stevig aantal fragmenten.

 

Eduard werd in 1956 geboren in Zeeland in een gereformeerd gezin, de strenge vleugel van de protestantse kerken. In het zeer brave Soest bezocht hij de lagere school en in het weinig minder brave Amersfoort de middelbare school. Als 19-jarige ging Eduard in 1975 aan de Universiteit van Amsterdam theologie studeren, maar werd al snel zo ‘goddeloos’ dat hij overstapte naar een opleiding tot maatschappelijk werker. Zijn eerste huurkamer was op de Oudezijds Achterburgwal “tussen de hoeren en de seksshows”, voor een gereformeerde jongen dus een schoktherapie. Maar wel een vrijmakende. Daar nog wonend kreeg hij een baantje als barkeeper in de Jordaan, in café De Gijs, op de hoek van Lindengracht en Lijnbaansgracht (in 2010 gesloten; nu een coffeeshop). In 1978 kreeg hij ook een woning in de Jordaan op de Egelantiersgracht: met vier andere artistiek gezinde jongens bewoonde hij een langgerekt fijn zonnig zolderatelier. Helaas overleed drie jaar later onverwacht de daaronder wonende geliefde huurbaas. Gelukkig kreeg Eduard toen een verdieping boven café De Gijs, en woonde daar 23 jaar lang. Al was dat aanvankelijk verre van ideaal.

Woning zonder douche

“Daar heb ik veel moeten verbouwen, want het was heel erg tochtig en vochtig en klein. Zonder douche; die heb ik erin liet zetten. Omdat de huiseigenaar echt totaal niet investeerde in het huis. Zijn excuus was dan ook wel dat hij er dan wel heel weinig huur voor kreeg. Ik kan me daarom ook wel voorstellen dat hij daar niet aan deed. Maar dat resulteerde er wel in dat als het buiten miezerde, het binnen regende. Uiteindelijk heb ik de zolderetage laten doen en de douche erin laten zetten. Die zat er eerst niet in, dus het eerste halfjaar dat ik daar woonde moest ik naar het badhuis op de Marnixstraat. Dat had je toen nog. Dat gold toen wel voor meer mensen in de Jordaan hoor, die geen toilet of bad hadden. Die gingen dan eens in de zoveel tijd naar het badhuis in de Marnixstraat. Dus de staat van dat huis was heel slecht. Maar de plek was prachtig. Daar op die hoek had je een vrij uitzicht, en ik woonde boven het werk, boven de kroeg. Dat had als nadeel dat je privacy behoorlijk in het geding kwam, maar het had als voordeel dat ik binnendoor naar boven kon als ik gewerkt had. Ik heb daar hele goede herinneringen aan.”

 

Kroegbezoekers

“De Jordaan is natuurlijk echt een kroegenbuurt. Vroeger was het al zo dat mensen een of twee keer per week in de kroeg zaten en dan was het zaterdag meezingen. De Twee Zwaantjes was bijvoorbeeld echt zo’n plek waar mensen in het weekend naar toe gingen om te zingen.

Ja, opera he? Er werd echt opera gezongen hier. Willy Alberti, Opera Pietje, Johnny Jordaan en Tante Leen. Dat was nog voor mijn tijd, ik heb er eigenlijk de naweeën van meegemaakt, maar de Jordanese stemmen hebben wel iets gevestigd, die muziek wordt nog steeds gedraaid.

De buurt heb ik zien veranderen, ja. Maar de echte, autochtone Jordanezen heb ik er nog volop meegemaakt. Mijn allereerste baantje was in café ’t Monumentje in de Westerstraat in 1978, toen woonde ik nog op de Wallen. Dat was toen nog zo’n hol waar sommige mensen ’s morgens om acht uur binnenkwamen voor een koffie mét een calvadosje en dan zeiden ze om tien uur na tig calvadosjes: ‘Nou, dan gaan we nú maar drinken!’ en dan bestelden ze hun eerste biertje. Zo’n kroeg was dat. De kroegen in de buurt hadden wel een verschillend publiek. Zo kwamen bij ons in ’t Monumentje heel veel alcoholisten: mensen die dat overigens zelf niet vonden, maar het wel waren. Ze waren nog niet eens zo oud. En natuurlijk café Nol aan de overkant van de Westerstraat. Dat was toen nog veel meer een buurtcafé, terwijl het nu een kroeg met alleen maar buitenstaanders is geworden, echt een studententent. En in café De Gijs waar ik later werkte, kwamen veel travestieten en transseksuelen: wel grappig, zo midden in de Jordaan. In café De Tuin, waar ik zelf wel kwam in mijn vrije tijd, trok juist weer een heel gemengd publiek. Ik paste daar wel, zeg maar.”

Criminelen

“Eigenlijk kwam ik ook wel gelijk in zo’n omgeving terecht waar heel veel buurtgenoten kwamen. En of ik dat nou leuk vond of niet: er waren wel mensen die binnen de buurt hun twijfelachtige sporen verdiend hadden. Vooral naast ons aan de overkant van de dwarsstraat, waar nu De Blaffende Vis zit: daar zat destijds café Arie. Nou, dat was een berucht café waar veel criminelen kwamen en waar destijds geloof ik de Heineken-ontvoering bedacht is; Holleeder kwam er in ieder geval veel. Maar die criminelen, ja, daar zat je tussen; in die zin was dat normaal. Je wist over het algemeen wat ze op hun kerfstok hadden, maar doordat je zo dagelijks met die mensen omging, keek je ze er niet echt op aan. Dat klinkt heel raar, maar dat is gewoon echt zo. Als ik in de kroeg naast iemand zat en er na twee uur achter kwam dat hij iemand had omgelegd jaren daarvoor, dan vond ik zo iemand niet meteen een schoft. Ik had namelijk wel een heel leuk gesprek met hem gevoerd. Ja, dat was een kwestie van grensvervaging. Criminelen moesten zich in het café natuurlijk wel gewoon gedragen. In het café moest je juist heel streng optreden tegen mensen die buiten de pot pisten, anders was je je autoriteit kwijt. Het ging erom: je kende ze. Ik heb altijd ondervonden dat je als barkeeper gerespecteerd werd in je beroep. En als ze je gingen belazeren, moest je maatregelen nemen. Niet meer erin; eruit!”

Verandering in de Jordaan

“In de periode dat ik in de Jordaan woonde veranderde er veel. Niet alleen moesten er veel mensen vertrekken doordat woningen werden samengevoegd en verkocht, maar daarnaast gingen ook de huren omhoog. Huurwoningen veranderden in onbetaalbare koopwoningen en dat had natuurlijk allemaal consequenties voor de samenstelling van de buurt. De verandering zag je ook op straat. Zo verdween de buurtkruidenier, die niet langer recht van bestaan had. Hij kon gewoon niet meer rondkomen, omdat de buurtbewoners die iedere dag even langskwamen voor een pak koffie of een pak melk wegbleven. De buurtkruidenier was altijd een ontmoetingsplaats voor buurtbewoners geweest: daar verzamelden mensen zich, die stonden daar de hele of de halve dag te ouwehoeren met elkaar. Ook de groenteman op de markt was zo’n ontmoetingspunt. Toen de mensen met de dubbele inkomens kwamen, gingen die hun boodschappen doen bij Albert Heijn, genoeg inslaan voor een hele week. De nieuwe bewoners wilden ook een ander soort horeca, die hadden geen zin om zich met andere mensen te bemoeien en wilden juist in alle rust de week doornemen. Hierdoor veranderde het horeca-aanbod aanzienlijk. Ik heb dat in de Jordaan echt van dichtbij meegemaakt. Het ontstaan van loungecafés, van grotere tenten die echt in de plaats kwamen van de buurtcafés en de koffiehuizen. Je had vroeger nog echt van die koffiehuizen die om zes uur ‘s morgens opengingen. Dat was voor de mensen die voor hun werk eerst even koffie en een broodje gingen halen. Je had er op de Lindengracht twee, maar die zijn nu weg want mensen gaan niet meer vóór hun werk ergens koffie drinken. Die cultuur is er echt uit.”

Nostalgie en saamhorigheid

 

“Bijzonder was dat de oude buurtbewoners die verhuisd waren, vaak op zondagmiddag weer naar de Jordaan afreisden. Die kwamen dan langs hier in café de Twee Zwaantjes of in café De Gijs waar ik toen werkte en die praatten dan platter dan voordat ze weggingen. Daar kwam dan de nostalgie om de hoek zeg maar. Terwijl ik ook denk dat dat vals sentiment was. In Almere hadden ze namelijk een huis met voor- en achtertuin en vaak een garage en daar betaalden ze dan ietsjes meer voor dan de halve woning hier in de Jordaan. Dus volgens mij was dat ook heel erg geïdealiseerd. Opeens deed men romantisch over de manier van leven en de omgang met de buren. Terwijl die huizen zo krap en gehorig waren als de neten. Maar het had ook voordelen hoor! Zo hoorde ik het gelijk als mijn onderbuurvrouw weer een astmatische aanval had. Dan ging ik daar even naartoe, van God hoe gaat ‘t en even een kopje thee zetten. Beetje aandacht geven, dat was het meer hè? Ik had ook bijvoorbeeld een wasmachine en zij niet, dus dan waste ik voor haar en dan kookte zij weer voor mij af en toe, dat was gewoon. Maar op die manier moest je ook wel samenleven omdat je alles van elkaar hoorde. Als zij visite had, wist ik wie er zat bij haar. Maar nog even over die romantiek: Ik had mijn eigen woning, maar er waren veel gezinnen in de Jordaan die dezelfde oppervlakte hadden als ik en die dat met het gezin deelden. Dan sliepen alle jongens in één bed en alle meisjes in één bed en dan lagen de ouders er vaak middenin. Je kan mij dus niet vertellen dat het twaalf maanden per jaar, 365 dagen achtereen leuk, romantisch en gezellig was. Het is ook doffe ellende geweest, maar dat hoor je zelden terug. Ik werk nu in een Jordanees café waar we heel veel Amsterdamse muziek draaien. Toch ken ik geen nummer over de armoede en de ellende van de Jordaan en het feit dat je je kont niet kon keren. En dat was wel zo.”

Nieuwkomers

"Als niet-Amsterdammer word je in de ogen van een Amsterdammer nooit een échte Amsterdammer. Toch voel ik me in de Jordaan echt thuis. Nu kom ik zelf uit een vrij christelijk milieu, veel minder direct. Toen ik in Amsterdam kwam, merkte ik dat er heel weinig taboes waren. Met mijn homoseksualiteit bijvoorbeeld, daar heb ik hier in Amsterdam amper last van gehad. Dat is trouwens voor veel homo’s verschillend, veel homo’s hebben het echt heel moeilijk gehad in de Jordaan, dus zo tolerant was het hier helemaal niet. Maar naar mij toe was iedereen altijd heel erg aardig. In café De Gijs kwamen er één keer per maand travestieten langs voor een soort clubavond. De eigenaar van die tent vond dat allemaal bloedinteressant. Maar die travestieten kwamen er ook wel eens gewoon op vrijdagavond binnen en dan was er eigenlijk niet zo veel aan de hand. Maar dan heb je weer de directheid van deze buurt, Jordanezen vragen dan gewoon van: je bent toch een kerel met een jurk aan? Het klinkt veroordelend, maar eigenlijk was het gewoon zo bedoeld van: leg uit en kom maar hier. Omdat ik in het café ging werken, kende ik snel heel veel mensen die in de buurt woonden. Maar eigenlijk kwam je overal mensen tegen; je kende veel mensen en hoe je die had leren kennen wist je eigenlijk niet. Doordat ik veel mensen kende werd de Jordaan al snel mijn veilige haven. Als je in de Jordaan woonde, leefde je in een dorp. En dat heeft natuurlijk ook zo zijn begrenzingen. Maar als ik de Jordaan binnenkwam, had ik het gevoel dat ik veilig was. Dan was ik thuis en dan kon me niets meer gebeuren, want niemand zou het in z’n hoofd halen om mij iets te doen in mijn dorp.”

Het dorp

“De sociale controle was in de Jordaan wel heel groot. Dat past natuurlijk ook helemaal bij het dorpsgevoel. Zo is het Typisch Jordanees om uit de ramen te hangen, al zag je dat vroeger veel meer dan nu. Je had allemaal van die ramen die omhoog open gingen en dan werd er een kussentje op de vensterbank gelegd, tieten eroverheen en dan lullen met de buurvrouw. En commentaar leveren op wat langs loopt: ‘Nee, hij is niet thuis even boodschappen doen, kwartiertje.’ Die echte sociale controle, die is nu weg. Ik mis vooral het geschreeuw op straat: ‘heb jij gehoord dat? En weet je dat zus in het ziekenhuis ligt?’ Dat, dat is weg. De communicatie op straat, dat er wordt geschreeuwd: ‘Hé Beppie, krijg de tyfustering kom even hier!’ Weet je wel? Hoe harder je schreeuwde en hoe verder je stem reikte, hoe belangrijker het was. Er is natuurlijk veel veranderd, maar ik voel me hier nog steeds thuis. Al met al woon ik nu veertig jaar in Amsterdam en daarvan heb ik dertig jaar in de Jordaan gewoond. Je merkt dat mensen die hier al lang wonen ontstellend ad rem worden. Zo overleef je namelijk in Amsterdam. Ook ontwikkel je een hard gevoel voor humor en daar hou ik van. Die humor past als een handschoen.”