De Jordaan van slager Frans Louman

Frans Louman oudIn Ons Amsterdam publiceren we vier maanden achtereen artikelen over drie naoorlogse Amsterdamse arbeidersbuurten, gebaseerd op tientallen interviews afgenomen door geschiedenisstudenten van de Universiteit van Amsterdam. Die drie buurten zijn de Jordaan, de Indische Buurt en Tuindorp Buiksloot (Blauwe Zand). De Jordaan komt aan bod in ons februarinummer, dat nog tot en met a.s. donderdag 3 maart in de winkels ligt.


Door gebrek aan plaatsruimte konden we niet uit alle interviews citeren, en dat is jammer. Zeker in het geval van de welbekende slager Frans Louman in de Goudsbloemstraat. Op zaterdagmorgen wordt zijn winkel niet alleen bezocht door de buurtbewoners van nu, maar ook door oud-Jordanezen uit Almere en omstreken. Graag laten we hem nu alsnog op onze website aan het woord. Het interview werd afgenomen door aankomend historica Roos Varekamp.

Frans Louman is de derde generatie in het vak. In 1946 werd hij boven de slagerij geboren, als vierde kind van vijf: drie jongens en twee meisjes.

De slagerij werd begonnen door de Frans’ grootvader, Dorus F. Louman, in het pandje Tweede Goudsbloemdwarsstraat 14, tegenover de huidide winkel (Goudsbloemstraat 76, hoek Tweede Goudsbloemdwarsstraat).

De arbeidsomstandigheden van zijn opa en ook nog wel zijn vader heel anders dan die van hemzelf, vertelt hij. Neem alleen al het koelen van het vlees. Van elektrisch aangedreven koelkasten was natuurlijk nog geen sprake. Wel waren er kolossale ijskasten: daarin lag het vlees tussen grote staven ijs.

De oude Dorus Louman, geboren in 1871, ging al wel op z’n oude dag met elektrische rekenmachines werken. Maar verder was er nauwelijks apparatuur’. “Het was allemaal ellebogenstoom.” Zowel opa als vader werkten tot op hun oude dag; vader tot z’n 85ste.

 

Boldootkar

“Mijn moeder werkte ook in de slagerij, want we woonden erboven. Dat was toen ook gebruikelijk. Als winkelier woonde je boven je winkel. Wij woonden daar op nummer 14 één- en tweehoog boven de winkel. Daar moet je je niet teveel van voorstellen. Het was erg klein.

We hadden een keuken waar we met z’n allen konden eten. Op banken, en aan de andere kant stonden stoelen. Mijn moeder had een gastoestel. Geen oven. En dan, moet je je voorstellen, het toilet zat in de keuken, tussen het aanrecht en het fornuis in. Maar de meeste mensen hadden hem op de overloop. In het trappenhuis, dus. .

Maar mijn vader kwam uit de tijd dat de mensen helemaal geen toilet hadden en dan werd elke dag de emmer opgehaald met de ‘boldootwagen’. Ja, die naam was heel cynisch: Boldoot was een bekend Amsterdams eau-de-colognemerk.

Mijn opa en oma hadden zes opa kocht het huisje waar de slagerij in zat…en ze waren met zijn zessen en vader en moeder. De winkel zat beneden en het woonhuis was daarop aangesloten. Eén kamer met bedsteden. En één woonkamer. [Opa kocht ook het huis daarboven waardoor de familie zich opsplitste in het gebouw. Mensen woonden heel klein.

Dus eigenlijk was elke straat één dorp. Elke straat had ook zijn eigen winkels. Dus er waren heel veel kleine winkeltjes. Want als je nagaat, dat huis had drie etages en op éénhoog woonden ze met z’n negenen en op tweehoog ook, maar op driehoog ook. Dus er woonden een heleboel mensen alleen al in dat huisje. En je had heel veel halve woningen. Dus er woonden ontzettend veel mensen, dus elke straat had wel zijn eigen winkels nodig. Er woonden een paar honderd mensen in een straat."

 

Katholiek grootgebracht

“Ik ben katholiek groot gebracht, dus dan eet je vrijdags vis. Dus wij ook. Dus keurig vrijdags, was dat vis. Op de Limdenmarkt waren wel 30 viskraampjes! Klandizie genoeg, ja! Dat is een heel andere wereld. Het was een kinderrijke buurt, dus er waren ook heel veel scholen.

Ik heb het genoegen gehad een hele goede school te hebben. Wij zaten bij de Broeders. En van het katholieke onderwijs kun je alleen maar één ding zeggen: het is heel goed onderwijs. Er is discipline. Dat was toentertijd overal wel, maar er was discipline. Wij gingen ook zaterdags nog naar school. Gymnastiek was sporadisch. Het was gewoon je kop houden en leren en luisteren. Wij kregen Engels in de vijfde klas. Wij gingen naar het Concertgebouw om te luisteren naar muziek en instrumenten. Ja, fat was een hele goede lagere school.

En thuis werden we ook katholiek opgevoed, jazeker. Natuurlijk wel iedere zondag naar de kerk, zeker in mijn jeugd. Dat deden álle katholieken!

Je werd opgevoed door alles en iedereen. Je moest naar iedereen luisteren. …Als jouw buurvrouw wat tegen je zegt dan draai je je om en denk je ‘laat dat mens maar lullen’. Maar in mijn tijd was ’t zo: als een buurvrouw wat zei, luisterde je. En de Broeders op school hadden per definitie gelijk. Het gezag had per definitie gelijk.”

 

Op Zandvoort

“In de zomervakanties huurde mijn vader een huis op Zandvoort. Die Die Zandvoorters verhuurden dan het voorhuis werd verhuurd aan vakantiegangers en zelf gingen ze dan in het achterhuis wonen. Mijn vader huurde dan vier weken. Ja, het hele gezin zat daar dan een maand lang, maar hijzelf kwam alleen in het weekend en ging daarna weer naar naar de slagerij in Amsterdam. Mijn moeder hield van het strand, maar mijn vader niet.

Nee. Ik weet niet waarom. Ze zijn beide wel in de Jordaan geboren. Dus zij waren en wij zijn geboren en getogen Jordaner … Jordanees. Ja, wat moet je nou zeggen? Officieel is het Jordaner, maar wij zeggen Jordanees. Misschien omdat het even beter bekt.

Ja,www wat de spraakgebruik betreft: we komen natuurlijk uit een tijd dat iedereen wel een bijnaam had. Als d’r eentje een slecht oog had, dan heette die ‘Schele Man’. Dat is niet zo moeilijk. Als ie een bochel had dan was het ‘Bochel’. Dan weet toch iedereen wie je bedoelt?

 

Saamhorige armoe (binnen grenzen)

“De Jordaan heeft altijd een slecht naam gehad. Omdat het er natuurlijk armoedig uitzag en dan wordt er snel gewezen van: het is crimineel. Maar dat was het in principe helemaal niet. Het waren gewoon in feite hardwerkende mensen die geen stap vooruit kwamen.

Isolement? Nou, dát viel wel mee. Er zaten er een heleboel in de ambulante handel en in de haven. Veel ruw werk en dan wordt er wel eens iets gezegd en dat gaat dan niet altijd even beschaafd. Dus daar hebben ze eigenlijk een beetje een naam van gekregen van: het was gevaarlijk, toentertijd.

Het was natuurlijk een arme buurt met arme mensen, die zijn saamhorig met elkaar. Arme mensen zijn saamhorig in een wijk. (Dat kun je over de hele wereld zien. In Afrika geven arme mensen elkaar eten, terwijl ze zelf niks hebben.) Het was dus een heel saamhorige buurt. Als de één eten had en de ander niet, dan werd het gedeeld. Je hebt natuurlijk altijd ruzies, maar in principe was het wel van…

Mensen leefden op straat. De mannen dronken even teveel. Mensen hadden geen privé. Alles was op straat, dus iedereen wist alles van elkaar en daarom kwam je ook gauw aan die bijnamen. Als er ruzie werd gemaakt, dan ging het raam open en dan mocht de hele wereld weten dat die vrouw het niet pikte. Nou bijvoorbeeld, die man was een keer ‘gestruikeld’ [knipoog] en die vrouw die hoort dat en die man die komt dan thuis en zij had het raam al open van ‘vuile zwerver’ en dit en zus en zo. ‘Je hebt m’n zoon van m’n moeder gekregen!’. Dus die heette sindsdien ‘de maagd van Orléans’.

Omdat mensen het dus erg krap hadden, deelde men met elkaar. Dus iedereen wist alles van elkaar. Dat is natuurlijk plussen en minnen. Wij hadden hier in de straat bijvoorbeeld een moeder, en we kwamen erachter dat zij haar dochters misbruikte. Die verhuurde ze. Dat heeft maar heel kort geduurd, want dat kon niet. Die vrouw heeft een pak slaag gekregen en ze hebben de kinderbescherming ingeschakeld. Want dat kan niet. Kijk, als jij jezelf wilt verhuren, moet jij weten. Prima, dan heeft niemand er een probleem mee. Maar om je kinderen onder de pannen te brengen, dat was even teveel van het goeie. Maar zo een vrouw loopt dan tegen de muur aan.

En wat ook niet kon: we kregen hier in de buurt een winkel met seksartikelen. Die is er één week geweest. Dan gaat zo een vrouw naar binnen en die zegt: ‘jongen, we weten precies hoe het werkt. Ik heb een man en ik heb zoveel zoons en dat hoef je ze allemaal niet te vertellen en te doen’. Want, toentertijd, postten ze voor die winkel, want dat kon niet. Dat wilden we niet hebben in de buurt. ‘Mn zoon weet genoeg en als ie wil weten wat ie hebben wil, weet ie wel waar ie het halen moet en dat hoeft niet hier in de buurt. Deze buurt is hier niet geschikt voor.’

Ja, want dat doe je gewoon niet. In deze tijd is het wat makkelijker. Maar toen, omdat mensen armer waren, waren ze ook wat homogener met elkaar.

Men leeft nu veel meer apart. Men weet niet meer wie er op zijn trap woont. Als je je trap niet bijhield, werd er wat van gezegd en nu doet men dat niet meer. Wij noemen dat asocialen. Dat was vroeger standaard dat je dat soort dingen doet. Dat buren elkaar wat hielpen: ‘Ik kom even wat boodschappen halen, want je bent ziek’. Dat was er wel. Je moet het niet te rooskleurig zien, maar er was toch gewoon meer hul

Roddelen is natuurlijk een heel sociaal iets. Het ligt eraan hoe gemeen je het maakt, maar in principe is het heel sociaal want dan weet je wat over die en over die."

 

Werken of leren (maar dan wel serieus)

“Je kon kiezen tussen leren en werken. Als je niet wilde leren kreeg je een baas. Wij haalden ook geen rottigheid uit, want je ging werken op je veertiende. In de meeste gevallen (dat heb ík dus gedaan)ging je één dag in de week naar school en die andere vijf dagen was je aan het werk. Tijd voor rottigheid was er dus niet bij, want de dagen waren ook langer met werk.

Ik ging laat op stap, want ik moest eerst mijn diploma’s halen. Iedereen, ooms en tantes vroegen naar de voortgang van mijn opleiding. Er werd wel veel gepusht. Hangen in de snackbar, dat werd niet meer gepikt. Je kon daar niet mee klootviolen. Je moest je diploma halen.

Nu hoeft dat allemaal niet meer. Dan leef je anders. Maar je bent ook grootgebracht met luisteren. School, kerk en familie zijn de baas. Dat duurt nog heel lang voordat je dat een beetje loslaat. Eigenlijk te lang om leuk te zijn.

Maar het geeft ook het collectieve gevoel. Je bent collectief grootgebracht, dus je doet toch ook meer voor de gemeenschap waarin je leeft, want zo ben je grootgebracht. Dat zit wezenlijk in je.

Maar dat verdwijnt nu. Dan hebben wij van: ‘Godverdomme, geef even een zetje’. Af en toe moet je net even die rug vasthouden dat ze net overeind staan en dan kunnen ze weer verder. Het stelt niet veel voor."

 

Bescheiden welvaart

“Met een eigen slagerij hadden we het natuurlijk beter dan heel veel anderen in de buurt. Wij zijn altijd goed etend rondgekomen, ja. Maar van jaloezie hebben we weinig gemerkt. Je moet het verschil niet overdrijven. In de jaren dertig was er in onze buurt veel werkloosheid, ja. Na de oorlog moest alles weer opgebouwd worden, dus er was werk zat. Kijk, mijn vader die heeft altijd zes dagen gewerkt. Met vakanties ging hij niet dicht. Anderen wel, maar die misten wel een bepaalde omzet dan/

Als je een beetje gezond en verstandig werkte, dan kwam er ruimte voor extra’s, maar dat bleef heel bescheiden. Mijn vader en moeder dronken een borreltje voor het eten, er werden kleren gekocht -- en dat was het.

Mijn oom had een sleepboot, waarmee we soms gingen varen. En dan kregen we limonade. Maar dat was niet standaard. Limonade, dat was alleen voor feestdagen. Men dronk normaal melk, water of een kopje thee. Er werd één keer in de week snoep gehaald. en op was op. Dan moest je weer wachten op zaterdag, want op zaterdag werd er weer snoep gehaald. Dat was toen zo. Je moet alles zien in de tijd waarin het gebeurt.”

 

Twee dropfabrieken!

“Heel veel mooie huizen van vroeger zijn er gelukkig nog steeds, maar verder is de buurt in de laatste halve eeuw, sinds de jaren zestig, totaal veranderd. Het was vroeger een buurt met heel veel kleine industriële bedrijfjes, zelfs fabriekjes. Twee dropfabrieken, bijvoorbeeld: Venco op de Lindengracht, gesloopt in de jaren zeventig, en Klene op de Passeerdersgracyt bij het Raamplein; die ging eind jaren tachtig dicht.

De losse straathandel was er nog. En de markten, maar enfin, die zijn er nog steeds, zij het heel anders dan toen. bij de Raampoort en de suikerfabriek in de Spaarndammerstraat. Bespreekt de straathandel en de markt. Daar werkten de Jordanezen.]

En de woonomstandigheden waren twintig jaar na de oorlog nog steeds beroerd. Veel huizen hadden een bordje op de deur: ‘Onbewoonbaar verklaard’. Maar daar woonden de mensen gewoon. De Jordaan is natuurlijk oud. Alles wat nu nieuwbouw is, dat waren afgekeurde woningen. En de kraakbeweging is de sloop tegengegaan en daardoor zijn de straten de straten gebleven. Want ze wilden de straten breder maken, maar dan ben je het karakter kwijt. Dus wat je nu als nieuw ziet, dat waren over het algemeen slechte woningen. En daar is dat Johnny Jordaan-liedje van: ‘Op die afgekeurde woning, in ’t hartje van de Jordaan.’ Ja, tuurlijk is daar een liedje van!”

 

Houten vissies

“Mijn mooiste jeugdherinneringen aan de Jordaan? Poeh… Geen idee..

Tja, natuurlijk de Jordaanfestivals op en rond de Palmgracht, met de kerremis op de gracht, maar dat mag nu niet meer, want het is niet veilig, zo dicht op de huizen. Dan had je ‘t Jordaancabaret in de Driehoekstraat. Dan werd er een zeil gespannen en een podium gemaakt en dat was het. Tijdens het Jordaanfestival was er dan ook aan het begin van de avond een viswedstrijd voor vrouwen. Maat dat waren dan houten vissies Met die kermis was er een avond voor de vrouwen. Dat waren er houten vissies met een oogie in de rug en die konden ze dan met een hengel uit de gracht vissen. eraan en dan konden ze dat opvissen. Een beetje flauwekul. Heel simpele dingen eigenlijk.

Ook een mooie herinnering: de gekookte mosselen die je in mijn vroeger jeugd nog op straat kon kopen en eten. Heerlijk
En wat indruk op me maakte: de huldigingen in de jaren vijftig van Johnny Jordaan, toen-ie net was uitgeroepen tot beste Jordaan-zanger: in een open rijtuig door de straten! gegaan. Zwart van het volk stond het!

Maar ach, eigenlijk was het altijd zwart van het volk, want er woonden gewoon heel veel mensen.”

 

Jordaan-humor

“Echte Jordanezen? ’t Zijn er nog maar weinig, maar ze zijn er nog wel! Die komen hier nog wel in de winkel. Het dialect, he? En die beroemde humor, Al is die humor niet speciaal Jordanees, wel Amsterdams. En dat is een vriendelijke humor, ze is keihard. Patsj erbovenop! Meteen aanpakken. Maar die andere Amsterdammer, die begrijpt dat. Nee, dat leer je niet; dat heb je of dat heb je niet.
Eigenlijk is het ook weer niet puur Amsterdams. Dat is volks. Want elke volksbuurt heeft dit. Met een echte Hagenees en Rotterdammer kun jij als Jordanees prima door de bocht.

Volkse humor is over het algemeen meteen lip op stuk. En heen en weer. Ik maak een ijzersterke grap, jij komt keihard terug, en ik ga er nogeens overheen! Ik denk dat dat het volkse is: dat snelle!

Het is er nog wel. Af en toe komt er eentje bovendrijven en dan denk ik: jongens, er zit nog toekomst in!”