Gefrustreerde hondenmeppers

Hondenmeppers Misset 1906Een van de beleidsvoornemens in de nieuwe (populistische-liberale) gemeentebegroting is de afschaffing van de hondenbelasting. Zo hondvriendelijk waren de liberale stadsbestuurders van eind 19de eeuw bepaald nog niet. Zelfs nog tot 1923 werden zwerfhonden
en honden waarvoor geen belasting was betaald genadeloos opgepakt, in de Hondenkar geworpen. Op de Gemeentelijke Hondenbewaarplaats aan de Kostverlorenkade (eind Tweede Hugo de Grootstraat), werd die kar vol honden vervolgens over rails het water in gereden.
Voor de honden maar evenmin voor de hondenmeppers was die praktijk een feest, leert een reportage in dagblad De Tijd van 19 september 1890, nu precies 125 jaar geleden.

"Vrijdag, in den vroegen ochtend, was de hondenkar er op uitgegaan, zoekende
wie zij in haar buit kon opnemen. De vangst was niet bjjzonder gelukkig; slechts
een paar smousjes, kennelijk van erg plebejisch ras, en een dog waren in handen
van het bedienend personeel — door de spraakmakende gemeente
„hondenmeppers" genaamd — gevallen.

Men weet dat iedere jager uit zijn
humeur is, wanneer hij een slechte vangst heeft. Zoo ook de heeren, die de
hondenkar bedienden; pruttelend schoven zij den wagen voort en hadden zelfs
geen oog voor de twee agenten van politie, die te hunner bescherming achteraan
kwamen sukkelen.

Daar betraden zjj een nog al wildrijk jachtterrein: de Lange
Leidschedwarsstraat en de hoop was op hun Nimrod-gelaatstrekken te lezen. Ja,
daar is het wild! Bij de Kruisstraat loopt een hondje, dat een oogenblik wordt
uitgelaten — Pour cause!

Met een sprong is een der jagers bij het argeloos wild; eén greep in den nek,
het dier hangt in de lucht, en met een zaligen glimlach op de nobele gelaatstrekken
tilt collega-'hondenmepper' de klep op van het voertuig .

Een hond, hoe gehecht ook aan zijn meester, heeft de vrijheid lief', eu daarom zat
de slimme dog met zjjn neus ook juist vóór de opening, waardoor hij naar binnen
was geworpen. Toen hij den blauwen hemel voor zijn oogen zag, nam hij een sprong
juist op het oogenblik dat het pasgevangen beestje zijn lot zou deelen; vliegt
tegen den jager aan, die van schrik zijn vangst loslaat, en beide honden
vluchtten onder het jubelend 'Hoera' van de schaterende menigte.

De jacht wordt voortgezet, boos over zulk een 'Pech'. Maar een amsterdamsche
jongen is een hondenvriend; toen de kar op haar tocht verder rolde, gingen er
een paar van het echte ras vooruit, en zoodra er maar wild op het terrein kwam,
verjoegen zij het met luid geschreeuw. Een der heeren van de kar werd toornig
over dit wanbedrijf en diende een der jongens met vaste hand een afstraffing
toe. Maar die jongen had een moeder, en een dikke moeder ook.

Vuile hondenmepper, als je mijn jongen slaat, sla je 'mij', en een koor van
buurvrouwen was het eens, 'dat zulke kerels van der jongens motten af blijven'

De twee politieagenten traden toen op en wilden de vrouw, die aldus 'overheidspersonen'
behandelde en toesprak, mee naar 't 'beroo' nemen. 'Naar 't beroo! 't Zou wat,'
gilde de amazonenschaar in koor, 'dan gaan we allemaal mee,' en basstemmen van
mannen, die uit de huizen kwamen, spraken ook een woordje.... de politie liet
de vrouw met rust, en de honden-guillotinekar trok verder.

Zij gaat verder en komt in de Korte Leidschedwarsstraat. Een braaf bewoner van
een kelder laat argeloos zijn hond uit, ook een lief beestje, maar, helaas,
zonder 'hoedje'. De arendsblikken van een der hondenslagers zien het voor de
veiligheid en de rust van die straat zoo gevaarlijke beestje; hij|springt erop
toe, en met behulp van zijn collega verdwijnt het in den buik van het voertuig.
Zoo iets te ondervinden op zijn nuchtere maag, kan zelfs den meest lijdzamen
man tot opstand prikkelen, laat staan een Korte Leidschedwarsstrater. Hij voegt
dan ook den mannen van den houdengerechte een paar woorden toe, kernachtig en
veelbeteekenend, zoo kernachtig en veelbeteekenend, dat de reeds toornige
hondenslager nu menschenslager wordt en den man een slag in het aangezicht
toedient, zooals alleen door zulk een krachtige hand kan worden gegeven. De
kelderbewoner is door dit slachtersargument overbluft, maar niet zijn
echtgenoote. Met loshangende haren en een overigens bevallig négligé vliegt zij
uit haar woning en valt op den hondenslager aan, vechtende zooals alleen een
vrouw dat kan doen, die voor haar hond en haar man strijdt.

De politie komt weer ter hulp; maar wat vermogen twee overigens kloeke mannen,
al zjjn ze gewapend met zwaard en stok, tegen de schare van vrouwen, die haar
moedige zuster ter hulpe snelt? 'Mee naar 't beroo? Nou, 't zou wat! Smerissen,
dat jelui bint! komt er 's aan, ha, ha, ha!'

Een oogenblik stonden beide partijen tegenover elkander de spanning was groot
uit het idden der vrouwen steeg een strijddleus omhoog, welsprekend als altijd
de hondenkar en het bedienend personeel maakten rechtsomkeert, en de agenten
met hen. Alleen het kleine beestje daarbinnen jankte hartverscheurend; zijn vonnis is geteekend."