Het Bungehuis, wat is dat eigenlijk?

BungehuisHet bezette Bungehuis (Spuistraat 210, hoek Paleisstraat; de naam is prominent boven de voordeur gebeeldhouwd) was in februari 2015 een dikke week in het nieuws door de bezetting door boze studenten, die daarna het Maagdenhuis op het Spui veroverden. 

Maar wat is dat nou eigenlijk voor gebouw? En wie of wat is of was Bunge?
 

Opdrachtgever voor de bouw was Julius Carl Bunge (1865-1934), directeur van Bunge’s Handelsmaatschappij. Zijn grootvader, de van oorsprong Zweedse doopsgezinde koopman J.P.G Bunge, had de firma in 1818 opgericht. Het bedrijf handelde in koloniale producten, hout en vooral graan. (Op een van de glas-en-loodramen van de grote vergaderzaal op de eerste verdieping zien we een man koren maaien.)

Carl Bunge was een zeer cultureel geïnteresseerd man en bemoeide zich in 1932 intensief met het ontwerp van het Bungehuis door de bekende architect A.D.N.  van Gendt, zoon van de nog bekendere A.L. van Gendt.

Bunge stond niet graag op de voorgrond, maar was wel de drijvende kracht achter de Amsterdamsche Wagner-Vereeniging. Zijn krankzinnig grote villa Kareol (met hoge toren) aan de Van Lennepweg in Aerdenhout (helaas in 1979 gesloopt) ademde wagneriaanse allure. Maar het nieuwe kantoor in de Spuistraat (eerder zat de firma aan de zuidkant van de Dam)  moest volgens Bunge juist weliswaar monumentaal zijn, maar ook heel strak, zonder  allerlei beeldhouwwerk en muurschilderingen.   

Van Gendt (eerder technisch vakman dan eigenwijs kunstenaar)  was flexibel.  Met of zonder tierelantijnen, hij deed het.  Heel bijzonder en modern was het feit dat het kolossale gebouw (waarvoor zo’n 20 woningen moesten wijken) werd gedragen door een betonskelet. Zo kon en bouwwerk van zes verdiepingen, 33 meter hoog, worden opgetrokken. Maar Van Gendt wist dat betonskelet  tot genoegen van Bunge effectief te verbergen achter een buitenkant van  afwisselende soorten natuursteen, en ook binnen is het beton nergens zichtbaar.  Het werd een strak pand, maar bepaald niet saai, ook door de (zoals dat heet) ‘verticale geleding’ met uitspringende erkers.

In de buitengevel  maar vooral binnen bezondigde functionalist Van Gendt zich graag aan Art Nouveau-achtige (sierlijke maar niet echt functionele) elementen.  Zoals het  Art Nouveau-achtige trappenhuis met prachtige geglazuurde tegels, dat doet denken aan het trappenhuis van Herengracht 286, nu het Kunsthistorisch Instituut van de UvA, van 1965 tot 1985 het ‘Historisch Seminarium’(geschiedenisinstituut) van de UvA. Geen toeval, want ook dat werd (in 1921) door Van Gendt ontworpen.

Het mocht was kosten allemaal. Bunge had een sterke voorkeur voor kostbare, liefst natuurlijke materialen. De buitenkant bestaat geheel uit natuursteen (het onderste deel is van graniet). De deuren zijn van brons. In het interieur is veel chroom, messing en tropisch hardhout verwerkt.  De glas-in-loodramen in het trappenhuis lopen door over méér dan één verdieping.

In juni 1934 was het Bungehuis klaar. Architect Van Gendt maakte het niet meer mee. Hij overleed op 25 maart 1932, 61 jaar oud. Zijn jongere vakbroeder W.J. Klok maakte het karwei af.  Opdrachtgever Julius Bunge heeft het gebouw wel mogen bewonderen in bijna voltooide staat, maar meer ook niet. Hij stierf op 21 mei 1934 aan een verwaarloosde longontsteking.

Bunge’s Handelsmaatchappij gebruikte het pand tot 1973. Toen werd het gekocht door de Universiteit van Amsterdam, die al een deel huurde sinds 1971.  Het pand werd toebedeeld aan de Letterenfaculteit, die in 1997 met Wijsbegeerte en Godgeleerdheid zou opgaan in die nieuwe Faculteit  der Geesteswetenschappen. Het Bungehuis werd onder meer het adres van het faculteitsbestuur.  
Lang zal dat niet meer zo blijven, lijkt het.  De Universiteit wil de hele faculteit (nu nog verspreid over negen adressen) concentreren op het Binnengasthuisterrein. Inmiddels heeft de UvA het Bungehuis verkocht aan de exclusieve Soho Club uit Londen. Die aasde eerder op het Weekbladperspand Raamgracht 4-8, maar gaf die ambitie op na felle protesten van buurtbewoners. )