De eerste Amsterdamse verkeersagent (3 december 1912)

Op dinsdag 3 december 1912, nu een eeuw geleden, trad de eerste Amsterdamse verkeersagent in functie. Dat was de potige Gerrit Brinkman. In februari 1951 werd hij (toen 79 jaar) geinterviewd voor Ons Amsterdam, onder meer over zijn eerste werkdag. Zie hieronder zijn hilarische herinneringen.

“Ik herinner het mij als de dag van gisteren. Het was op 3 December 1912, dat ik als allereerste verkeersagent in Amsterdam, wat zeg ik, in Nederland, van 12 tot 2 uur de post N.Z. Voorburgwal achter het Paleis moest betrekken. De Amsterdammer kijkt graag naar zijn dienders en U begrijpt wat of een bekijks ik kreeg, toen ik daar zo maar midden een straat ging staan en dan nog wel met een,, voor het toenmalige publiek heel zonderlinge, zwart-wit gestreepte manchet. Maar van verkeersregeling is de eerste dag niet veel gekomen. In minder dan géén tijd had zich op de Voorburgwal een volksmenigte verzameld van een omvang, zoals ik het later, zelfs bij de kroningsfeesten van 1948, niet meer gezien heb. Er kon namelijk geen verkeer meer dóór en ik heb toen maar het enige goede besluit genomen en heb mij teruggetrokken in het toenmalige pothuis op de hoek van de Molsteeg.
Laat ik U eerlijk zegen dat ik er toen een hard hoofd in had of het ooit wel zo u gaan. En mijn chef, de heer Van Kervel. Dacht er net zó over. ‘ Middags om 4 uur heb ik het opnieuw geprobeerd, mar ging het misschien nog slechter. In minder dan geen tijd was het verkeer weer volkomen geblokkeerd.
De volgende dag heb ik het op de Dam geprobeerd en toen ging het warempel iets beter. Misschien waren mensen door de kranten al wat wijzer geworden of was hun nieuwsgierigheid bevredigd: in ieder geval schenen zij begrepen te hebben dat zij het verkeer niet in de weg moesten staan.
Maar toch kan ik U zeggen, dat verkeer regelen in die tijd géén baantje is geweest. Verkeer regelen was toen niog synoniem met het hangen aan de teugels van rijtuigpaarden en het losmaken van het bit, om koetsiers zodoende te dwingen tot stilstaan, met krachtmetingen met handkarbestuurders (zij duwen en ik trekken) en met het opvangen en meesleuren van fietsers. En onder die laatsten had je werkelijk niet de eersten de besten! Zo herinner ik mij o.a. een professor in de rechtsgeleerdheid en verder een van de bekendste tandartsen naar het posthuis Molsteeg te hebben moeten opbrengen. Begrijpt U nú misschien waarom en verkeersagent in die jaren voor de Eerste Wereldoorlog een poteling moest wezen?”