Amsterdam 100 jaar geleden, maandag 19 augustus 1912:

Het is weer de derde maandag in augustus, dus: Hartjesdag!
Maar dat eeuwenoude volksfeest is niet meer wat het geweest is, constateren alle kranten 's anderendaags. Van delirische dansfeesten in de Zeedijk en in de Jordaan, zoals nog zo'n tien jaar geleden is weinig sprake meer.
“Op den Zeedijk klonk wel uit de talrijke danshuizen muziek en lawaai en zag men velen, die op dezen derden Maandag in Augustus diep in het glaasje hadden gekeken..... dieper, dan op andere Maandagen — doch nog talrijker waren daar de nieuwsgierigen, die tot hun teleurstelling moesten constateeren dat er ‘niets te doen was op den dijk’. Van de verkleedpartijen en het geros in rijtuigen was ook al weinig te bespeuren.”

“In onze meest eigenaardig Amsterdamsche volksbuurt de Jordaan was het niet bijster druk, al liepen er veel nieuwsgierige heertjes en dametjes. In de eigenlijke Jordaan, Willemsstraat en aangrenzende buurten, zaten de bewoners: vrouwen, mannen en kinderen, gezellig te praten voor de deur. In de meeste huizen waren de gordijnen hoog op en dan zag men tot in de welverzorgde achterkamer, waar een thee- of koffieservies met blinkende koffiekan en suikerpot pronkte tusschen bloemen. Jongens en meiden liepen er vroolijk over straat en deden soms een Amsterdamsen dansje in den geest van Pietje Puk en Zwarte Kardoes. Op de Palmgracht was het stil. een moedertje hing over de onderdeur te kijken naar jongens en meisjes die zevenklappers afstaken. In de Goudsbloemdwarsstraat was het iets voller. Ook daar de geheele familie – naar oud- Amsterdainsch gebruik, de banken op de hooge stoepen herinneren er nog aan – op de stoep voor het huis. waar velen kommetjes koffie dronken. De oliekoekenhuizen hadden al de lichten op. In het voorhuis hadden vrouwen en mannen het druk met het bakken dier lekkernij en ook van appelkoekjes. Op de stoep was eene mooie uitstalling: in het midden schalen met appelkoekjes en oliekoeken, de snoeperij der Karthuizer-monniken. en al dat lekkers geflankeerd door schalen met appelen en peren, en op iederen hoek een groote plant. De kuierende jongens en meisjes hadden pret. maar waren allerminst uitgelaten, tot een groot orgel kwam, dat Weener walsen speelde. Toen gingen de beentjes en beenen van de straat, meestal meisjes en meiden met elkaar, allerlei Jordaansche hoofsche buigingen, de handen in de hoogte en dan aan het zwieren. Trossen jongens sprongen meer dan ze dansten. Onordelijkheid was er niet en men zag zeer weinig beschonkenen. Agenten liepen kalm door de menigte heen en hadden geen bekeuringen te doen en niemand naar me'heertie te brengen. Er was pret, ongedwongen pret. De Jordaan op dezen Hartjesdag – zooals de toestand 's avonds om 10 uur was – deed zich heel anders voor dan Querido in De Jordaan beschrijft. Volkomen, het tegendeel… Ook in de overige buurten van de Jordaan gmg het kalm toe. Overal de bewoners voor hun deuren op de stoep zittende te praten, terwijl de jongens en meisjes pret hadden. Maar uitgelatenheid zag men niet.”

Sinds eind 19de eeuw is het feest ook populair geworden in de Dapperbuurt en recentelijk ook in de Indische Buurt. Hier is het vooral een baldadig festijn voor kinderen en laat op de avond voor opgeschoten jongens. Troepjes kinderen met maskers of zwart gemaakte gezicht gaan langs de deuren om te bedelen om wat geld om vuurwerk van te kopen: voetzoekers, zevenklappen, vuurpijlen en ‘Bengaalsch vuur’. Daarmee wordt de hele dag geknald. ’s Avonds gaat het de grote jongens om op zoveel mogelijk plekken brandjes op straat ter stichten, zodat de brandweer moet uitrukken, Die treedt dit jaar acht keer op in Oost. Maar al met al is het ook hier rustiger dan vorige jaren.