Amsterdam 100 jaar geleden, maandag 5 augustus 1912:

Al sinds in mei het vervoer per stoompont over het IJ gratis werd [zie Ons Amsterdam juli-augustus 2012-red.] wordt er veel geklaagd over de baldadigheid van de vele jongens en meisjes die de pont als ‘hangplek’ voor de vrije woensdag- en zaterdagmidag hebben ontdekt, aldus het Algemeen Handelsblad. En sinds vorige week maandag de Grote Vakantie is begonnen, is het nog veel erger geworden. Nu zijn ze er alle dagen. “Pakjes met boterhammen; flesschen, gevuld met melk of dropwater, taschjes vol onrijp fruit, hengels en schepnetjes, springtouwen en poppen – van alles dragen ze mee naar de ponten. In de middaguren is het bezoek wel het allerdrukst. Het personeel kan geen orde houden onder de schreeuwende kinderen, die telkens weer den korten tijd van den overtocht weten te besteden om schillen, doppen van apenoten en vuile papieren op het dek te deponeeren. Het staat er vrijwel machteloos tegenover, als ze op denzelfden dag voor de twintigste maal hetzelfde brutale jongensgezicht zien glunderen over de verschansing, kringetjes spuwend in het kalm zich rimpelende IJ, vechtend soms, schreeuwend altijd. (…)
En 's avonds, na achten, als jeugdig Amsterdam, moe gestoeid aan d'overkant, te slapen ligt, dan komen de opgeschoten jongens, de zestien- en achttienjarigen. Zij gaan in en om het Tolhuis 'een deuntje vrijen' of 'een potje hengelen' en tijdens den overtocht onthalen ze de overige passagiers op de liederlijkste versjes en de meest platte taal wordt door hen uitgeslagen onder luiden bijval der kornuiten. Er is geen politiemacht aan boord, denken ze, evenals de kleuters van overdag, en daarom voelen ze zich heer en meester aan boord.”