Een Amsterdamse Leonardo da Vinci; 300ste sterfdag Jan van der Heijden

Drie eeuwen terug overleed een geniale en ongekend veelzijdige Amsterdammer: Jan van der Heijden. Niet alleen was hij een voortreffelijk kunstschilder, maar ook vond hij o.a. de straatlantaarn en de brandspuit uit. Brandweerhistoricus Gerard Koppers stuurde ons de onderstaande levensschets.

Op 28 maart 1712 overleed Jan van der Heijden. Amsterdam en de wereld hebben veel aan hem te danken: fraaie kunstwerken. maar vooral meer veiligheid.

Jan van der Heijden werd geboren in Gorinchem als derde van acht kinderen in het gezin van Jan Goriszoon van Bommel. Die vestigde zich in 1646 in Amsterdam als makelaar. De kleine Jan werd opgeleid tot glasschilder en werd na de dood van zijn vader ingezet in de spiegelwinkel van zijn oudste broer aan de Dam. Daar was Jan op 7 juli 1652 getuige van de brand in het oude stadhuis, dat toen nog vóór het nieuwe in aanbouw zijnde stadhuis stond, dat we tegenwoordig kennen als het Paleis op de Dam.
De brand heeft schijnbaar grote indruk op hem gemaakt, want met het uitvinderstalent, engelengeduld en het oog en gevoel voor detail dat in hem verzameld was, heeft hij vele dingen bedacht, georganiseerd en beschreven, waar we tot op de dag van vandaag bij de brandweer nog gebruik maken. Ondertussen heeft hij vele prachtige schilderijen gemaakt, die al bij zijn leven gewild waren en ook nu nog een grote waarde vertegenwoordigen. Eén van zijn stadsgezichten wisselde in 2006 bij Sotheby’s nog voor 6,7 miljoen euro van eigenaar.

Amsterdam lichtstad
Om te beginnen ontwierp Jan van der Heijden in 1669 een straatlantaarn, die niet binnen de kortste keren zwartgeroet werd of uitwaaide. Speciale pitten, olie én een organisatie voor het ontsteken en doven van de lantaarns maakten dat het systeem uitgroeide tot een puik werkende straatverlichting van Amsterdam. Daarmee werd de stad een stuk veiliger, want je kukelde nu niet meer ’s avonds en ’s nachts in de gracht en het gespuis van de straat hield zich koest. Het – onbedoelde – gevolg was dat bordelen en herbergen nu ook na zonsondergang redelijk veilig bezocht konden worden, zodat het nachtleven goed op gang kon komen.
Het systeem van Jan van der Heijden werd korte tijd later ook ingevoerd in Groningen en vervolgens in vele grote steden in het buitenland. In de Hollandse Wijk in Potsdam zijn de lantaarnpalen van zijn ontwerp nog steeds in het straatbeeld te vinden en ook Amsterdam kent een paar replica’s op het Amstelveld, aan de Magere Brug en bij het koffiehuis op het Stationsplein.
In de loop van zijn leven heeft hij nog meer uitvindingen op zijn naam geschreven of bijdragen geleverd aan zaken die de samenleving verbeterden. Hij ontwierp schepraderen, moddermolens, kachels, de voorloper van de scheepskameel, hij maakte een plan voor de verwarming van het stadhuis, werkte mee aan het beheer van sluizen, het openbare water en de zeedijken en bouwde het vuurbaken bij de IJdoorn (Durgerdam).

Brandbestrijding
Samen met zijn broer Nicolaas bedacht Jan allerlei apparaten en systemen om de brandbestrijding effectief te maken. Tot die tijd konden branden alleen maar geblust worden door het afbreken van bedreigde gebouwen en het formeren van lange rijen burgers, die dan honderden leren brandemmers vulden en aan elkaar doorgaven. Jan en Nicolaas verzonnen pompen met waterslangen, waardoor die emmerketens overbodig werden. Later bedachten ze nog een waterslang met spuitstuk, waarmee het water ook via trappen of gangen naar boven of binnen kon worden gepompt, zodat het water ook bij kleine branden al inzetbaar was. Met water het vuur opzoeken en blussen waar het werkelijk woedde, doet de brandweer vandaag de dag nog steeds. De ‘binnenaanval’ noemt de brandweer dat. De broers Van der Heijden werden in 1672 – toen Nederland belaagd werd door Franse legers – belast met het beheer en het verbeteren van het brandweermaterieel van de stad. Die taak was een soort vervangende dienstplicht, want als overtuigd doopsgezind waren ze tegen geweld, maar wilden ze wel op een andere manier helpen de stad te verdedigen. De broers maakten de brandspuiten handzaam, praktisch en efficiënt, pasten de windketel toe en maakten de spuiten mobiel. Al in 1676 introduceerde ze zo de eerste blusboot ter wereld en vanaf 1698 werden de spuiten op speciale wagentjes geleverd.
Jan maakte de brandspuiten vanaf 1680 in zijn eigen fabriek in de Koestraat nummer 5. Op die plek is in 1912 een borstbeeld van hem aangebracht door de vereniging Amstelodamum. Behalve de vervolmaking van de spuiten zorgde Jan – Nicolaas overleed in 1682 – voor een verbeterde organisatie van het brandblussen. Vanaf 1682 werden niet langer de gilden belast met het brandblussen, maar werden de spuiten geplaatst in de 60 burgerwijken. Daar werden aan elke spuit twee brandmeesters, twee assistenten en 36 spuitgasten verbonden. Ze kregen een premie als ze op tijd waren en een boete als ze niet op kwamen dagen. Bovendien moesten ze twee keer per jaar met de spuit oefenen onder het toezicht van de stedelijke generaal-brandmeester, in feite de eerste brandweercommandant en dat was natuurlijk Jan van der Heijden zelf. Door de brandweerzorg naar de wijken te brengen, was er een veel snellere brandweer, die bovendien ter plaatse bekend was en betrokken, want het was hun eigen wijk. Het systeem heeft dienst gedaan tot aan de oprichting van de beroepsbrandweer in Amsterdam op 15 augustus 1874.

Export
Het hele nieuwe systeem werd uitgebreid beschreven én rijkelijk geïllustreerd in het beroemde boek over de slangbrandspuiten, dat door Jan van der Heijden zelf geschreven was. Ook bij de honderden brandspuiten die hij verkocht, leverde hij instructies en platen, terwijl hij ook vele ‘reclamefolders’ zelf schetste. De voortreffelijke brandspuiten werden over de hele wereld verspreid, zowel via de VOC en WIC, maar ook door rechtstreekse levering aan de grote steden van Europa. Ze werden geleverd aan alle belangrijke handelssteden in Duitsland, Zwitersland, de scandinavische landen en Rusland. Want zelfs Czaar Peter de Grote bezocht de fabriek van Jan van der Heijden en nam diens modellen en ontwerpen mee. Het Russische woord voor brandspuit is nog steeds ‘brandspojt’. Als relatiegeschenken kwamen de spuiten zelfs terecht in Istanbul.
Daar waar ze niet gekocht werden, werden ze gekopieerd. In Londen en Parijs werden de spuiten van Van der Heijden nagemaakt en boekten de fabrikanten ervan grote successen.
Jan van der Heijden overleed op 28 maart 1712, op 75-jarige leeftijd als een rijk man. Toch is hij in alle bescheidenheid begraven in de Oude Kerk, in het verder onherkenbare graf nummer 92 in de kooromgang.

Jan van der Heijdenjaar
Voor de brandweer is het jaar 2012 niet alleen het 375ste geboortejaar of het 300ste sterfjaar van zijn stamvader, maar ook het moment dat de korpsen een andere koers inslaan. In de traditie van Jan van der Heijden worden nieuwe wegen en middelen gezocht en getest en een belangrijk onderdeel daarvan is het weer terugbrengen van de verantwoordelijkheid voor de eigen veiligheid bij de burger. Die lijkt misschien wat gemakzuchtig te zijn geworden, omdat de brandweer toch altijd komt en nog snel ook. Men moet weer gaan leren dat de branden die níet ontstaan, ook niet geblust hoeven te worden en dat de slachtoffers gemakkelijk te voorkomen zijn door rookmelders, woningsprinklers, vluchtplannen en een veilige manier van leven. In januari heeft de 25ste opvolger van Jan van der Heijden, de huidige brandweercommandant Elie van Strien van Amsterdam-Amstelland, het Jan van der Heijdenjaar geïntroduceerd en in de loop van dit jaar zullen er vele activiteiten en publicaties komen rond de beroemde uitvinder en schilder, maar vooral rond de nog verdere vergroting van de veiligheid van de burger, waar hij ooit een begin mee maakte.

Gerard Koppers
projectmedewerker Communicatie Brandweer Amsterdam-Amstelland
onderzoeker Nationaal Brandweer-documentatiecentrum
auteur diverse boeken over de brandweergeschiedenis (vooral in en rond Amsterdam).