Koninklijke theevisite in Slotermeer

‘Juliana’s peuk heb ik 20 jaar bewaard’

TEKST: Peter-Paul de Baar

Juul_bij_Reusch_-_010003042010Ruim een week voor de officiële opening door opening Juliana verhuisde de familie Reusch naar Slotermeer. Hun etage in de Jan Pieter Heijestraat was met drie kinderen te krap geworden en de ruimte van de nieuwe tuinstart lonkte. Ze moesten er zeven gulden meer betalen dan in de Kinkerbuurt, maar daarvoor kregen ze wel een eengezinswoning met twee verdiepingen. En nog dezelfde week lag er een keurige stoep, Want de familie Reusch kreeg hoog bezoek.

De opening van Tuinstad Slotermeer, de eerste van de Westelijke Tuinsteden, werd breed uitgemeten in de Nederlandse kranten, op de radio en in het Polygoon Journaal in de bioscopen. Nederland Herrees! De moffen hadden ons er niet ondergekregen, de verwoestingen waren hersteld en sterker nog: er verrezen honderdduizenden nieuwe ‘volkswoningen’. Met zuinigheid en vlijt bouwden we huizen als kastelen. Nu ja, kasteeltjes. En om de nationale saamhorigheid te beklemtonen, hadden regering en gemeente bedacht dat het héél goed zou zijn als de koningin bij deze gelegenheid op theevisite zou gaan bij een héél gewoon gezin.

Dat zo’n visite nog allesbehalve gewoon was, blijkt wel uit de enorme publicitaire ophef eromheen. Het overkwam de familie Reusch aan het eind van hun eerste week in Tuinstad Slotermeer, op de middag dat Juliana de tuinstad opende: 7 oktober 1952. Mevrouw Thea Reusch-Broere (83) woont nu in een seniorenflat in Noord. In de gang hangt de foto van de vorstelijke visite van een halve eeuw geleden. Ze weet alles nog als de dag van gisteren.

“We kwamen uit de Jan Pieter Heijestraat. Daar woonden we sinds ons trouwen, 11 september 1946. Ja, eigenlijk zaten we daar illegaal, indertijd, maar vanwege de geweldige woningnood deed niemand daar moeilijk over. Wij betaalden ons geld iedere week aan de officiële huurder, een mevrouw die in de praktijk elders woonde. Zij had zogenaamd nog de grote achterkamer, waar nog wat spullen van haar stonden, en wij hadden het voorkamertje en de alkoof. Maar in werkelijkheid gebruikten wij de hele verdieping. Zo héél klein was het niet, hoor, bij elkaar. Vanuit de huiskamer keken we zó gezellig de Jan Pieter Heije in. En daar heb ik alle drie die kinderen gekregen, maar ja, tóen werd ’t wel te klein! Ze sliepen alledrie in de alkoof... Dus we keken naar iets anders uit.

Gelukkig waren we al negen jaar lid van een woningbouwvereniging, Dr. Schaepman. Katholiek ja, want dat waren wij ook. Mijn aanstaande schoonouders waren al heel lang lid, en toen we ons gingen verloven zeiden ze: jullie moeten ook maar meteen lid worden, want dan maak je veel meer kans!

Schaepman zat in de Nachtegaalstraat in Noord en daar hing ook een lijst van de woningen die aangeboden werden. En op een dag in 1952 belden mijn schoonouders op: er werden in West eengezinswoningen gebouwd en daar kon je op inschrijven. Dat hebben we toen gedaan. Maar er waren natuurlijk voorwaarden hè? Je moest natuurlijk katholiek zijn. En je moest drie kinderen hebben, en bovendien ‘tweeërlei’. Daar voldeden wij gelukkig allemaal aan: we hadden twee jongens en één meisje. Dus we hebben gereageerd. Maar het ging óók om de woonruimte die je op dat moment had. Dus toen kwamen ze van de woninginspectie, of hoe heet dat, kijken of je wel echt zo krap zat. Nou, voor de zekerheid hebben we toen onze familiefoto’s even weggehaald uit die achterkamer, waar zogenaamd die mevrouw van wie wij ’t huurden nog woonde, en hebben een bed opgemaakt op de vloer van het voorkamertje. ‘Ja, die matras moeten we iedere avond hier neerleggen!’, zeiden we tegen die man. Nou, toen hebben we dat nieuwe huis inderdaad gekregen! Op de Walraven van Hallweg 5, een eengezinswoning van twee verdiepingen. Duur was het wel, hoor. In de Kinkerbuurt betaalden we vier gulden en in Slotermeer opeens elf gulden! Later zijn ze iets gezakt, hoor. Maar ’t ging. M’n man had een redelijke baan: wagenbestuurder bij het Vervoerbedrijf. Maar we moesten natuurlijk wel zuinig aan doen.

Nee, deze woningen húúr je
In het begin was het een zanderige troep, daar in Slotermeer. Maar voor óns is dat snel opgeknapt, omdat de koningin daar kwam, hè? Toen kwamen er meteen nette trottoirs. Op zaterdag 26 september zijn we erheen verhuisd. Ja, laat ’ns kijken, de De Vlugtlaan lag er, maar nog zonder winkels. Maar verder was er nog niks.

We zaten er net en toen kwam er iemand van de woningbouwvereniging en die zei: ja, uw schoonouders zijn lid en u bent lid, zou u het leuk vinden de koningin te ontvangen? Nou, dan kijk je natuurlijk wel even op, maar ik zeg: nou ja, prima! Waarom ze juist ons uitkozen? Ik weet ’t niet zeker, maar… Die woningbouwvereniging zat in de Nachtegaalstraat. En mijn schoonvader had daar op de hoek zijn schoenmakerij en was bovendien al heel lang lid, vanaf de bouw van de Vogelbuurt. Dus ze zullen gedacht hebben: die familie Reusch, dat zit wel goed. Maar ja, de gemeente en zo gaan dan nog wel alles na, hè? Of je met de politie in aanraking was geweest. En of je wel netjes was en zo. Nou, dat was goed. En toen kwamen ze vertellen wat er zou gebeuren en wat wij moesten doen. hè, dat je niet zenuwachtig hoefde te zijn. En dat we heel gewoon moesten doen. En dat we haar ‘mevrouw’ moesten noemen; geen ‘majesteit’. En wat we haar moesten aanbieden. Wat voor koekjes, en thee. Die koekjes werden gebracht: een soort zandkoekjes. En er kwam iemand van Douwe Egberts met de thee.

En die zei precies hoe ik het moest doen. Vijf minuten voor haar aankomst moest ik het theewater opschenken, zodat de thee net genoeg kon trekken. Ik zeg: ja, maar hoe weet ik nou wanneer ze binnenkomt? Nou, zegt-ie: dan moet u achter uit het raam kijken en als ze daar vanaf de brug de straat inkomt, moet u het water opzetten!

Ze kwam binnen, samen met een hofdame. En met de thee ging alles goed. Ik had de mooie porceleinen kopjes van mijn schoonmoeder geleend. Maar de koekjes... Marijke, onze oudste, van vijf, hield haar het schaaltje voor en toen griste Chris (van drie) er meteen een koekje af! Maar gelukkig moest Juliana er om lachen: ze zei: ‘Ach, ik heb zelf óók kinderen!’ Ja, ze was heel gewoon, hoor! Ze rookte ook een sigaretje; haar speciale merk was mijn man wezen kopen.

En daarna wilde ze het huis zien. Boven bekeek ze de slaapkamers en toen vroeg ze: ‘En waar zijn de studeerkamers van de kinderen?’ Ik zeg: nou, de kinderen studeren wel op hun eigen slaapkamer! Ze had geen idee, hè? Ze vroeg ook voor hoeveel we de woning gekocht hadden. Ik zeg: nee, deze woningen húúr je van de woningbouwvereniging! Ach, ik denk wel dat ze het echt wilde weten, hè, hoe het gewone volk leeft. Maar ze zal wel gedacht hebben: Goh, wat ’n kleine rothuisjes!

Maar echt, ze was heel aardig, hoor! Ze bleef een uurtje, dat was de afspraak, en ze dronk twee kopjes thee. Nee, één sigaret maar, hoor. En dat peukje heb ik nog heel lang bewaard. Pas toen we in 1973 naar Noord verhuisden, heb ik het weggegooid. Toch jammer ja, anders had die peuk nu ook gejubileerd.”

[Ons Amsterdam sept. 2001]