Hartjesdag in 1911.

Nog even Hartjesdag! Hoe werd dat oeroude Amsterdamse volksfeest precies een eeuw geleden gevierd, op maandag 22 augustus 1911? Het was allang niet meer wat het geweest was, meldde de Amsterdams correspondent van de Leeuwarder Courant. Door de toenemende 'beschaving' van de arbeidersklasse lieten de volwassen het 'Hartjesjagen' steeds meer over aan de baldadige jeugd. (Tegen de verwachting van deze verslaggever zouden die jeugdigen de traditie overigens nog voortzetteen tot laat in de jaren vijftig.)

Lees hieronder het verslag uit augustus 1911 !

[Leeuwarder Courant 28 augustus 1911:]

Op den ochtend van 22 Augustus door de Jordaan of ten minste een stuk er van te spurten en dan maar een enkel stelletje Hartjesjongens jongens van schoolgaanden leeftijd te ontmoeten – dat bewijst wel hoe de oude traditie wegslinkt tot een niets, dat reeds al de eigenschappen heeft om in een museum te worden opgeborgen.

“Meneertje, een cent voor de tent” vragen de kinderen. En ze koopen er lampionnetjes voor die ze ’s avonds in optocht ronddragen. Hoeveel er het dit jaar gedaan hebben?. ’t Zal wel een beetje zijn.
En hoeveel ouderen –de mannen met vrouws-, de vrouwen met manskleeren aan – de jeneverflesch tot gezelschap zich lieten rondrijden door de stad?... ’t Zal wel dunnetjes zijn geweest
De Zeedijk? Hij zal er wel uitgezien hebben als alledag ... de vuurtjes in de Dapperbuurt zullen wel in aantal zijn verminderd. Alles – we nemen het aan – zal wel weer verminderd wezen. Lust om te kijken naar de laatste sporen van wat eenmaal een Amsterdamsch volksfeest-in-folio was hadden we niet. Omdat – sic transit – het merkwaardige van den Hartjesdag van tegenwoordig is niet wat er wel, wel wat er niet meer gebeurt!

Het ‘hart’ wordt niet meer gejaagd, het ‘hart’ is afgejaagd. Kinderen loopen het edel wild nog na, en drinkebroers. Dat was trouwens al een jaar of tien het geval Maar elk jaar vallen er af; de oude traditie biedt geen weerstand meer, ’t kraakt er als in een oud vergeten onbewoond huis. Als ratten spoken er nog herinneringen rond maar ze zijn vaag, schimmig, dooden .
Daar komt een windstoot: de moderne tijd, met zijn geheelonthouding als beginsel, zijn werklieden met genoeg gevoel van menschwaardigheid om zich v6ór alles als rustig burger te willen gedragen. Het oude canaille stort ineen!
Niet eens met groot geweld … doch bijna geruischloos. Wat het eenmaal was, vraag het den Historicus! Wat het de laatste jaren was, vraag het elken Amsterdammer: een walgelijke dronkenmansboel, waarbij alles wat slecht en gemeen was zich het recht aanmatigde voor een keer een eerste viool te spelen in Amsterdam.
’t ‘Hart’ is afgejaagd. Gelukkig voor ’t ‘hart’ en voor Amsterdam.