Hartjesdag in de Madurastraat, 1925

Dezer dagen wordt op de Zeedijk weer Hartjesdag gevierd. Het is een oeroud Amsterdams volksfeest, dat eigenlijk al ruim een halve eeuw was uitgestorven maar een jaar of tien geleden door de 'gay scene' op de Zeedijk nieuw leven werd ingeblazen. De verbindende factor tussen Hartjesdag rond 1900 en nu is de travestie, maar die had toen een heel andere functie.
Hartjesdag (op de derde maandag in augustus) had zich sinds omstreeks 1900 ontwikkeld van een wild dans- en zuipfestijn voor volwassenen in de Jordaan en de Zeedijkbuurt tot een dag van kattenkwaad, vuurwerk en fikkie stoken voor kinderen in de Kinkerbuurt, Dapperbuurt en Indische Buurt.
J.J. de Meulder is al bijna een eeuw oud, dus hij herinnert zich nog de ‘schaarste’ tijdens de Eerste Wereldoorlog. Maar zijn jeugd in de Indische Buurt had ook heel wat mooie momenten. Glorieus was zeker zijn rol op Hartjesdag in 1925. Lees zijn bijdrage (in Mijn Amsterdam EXTRA.)

Voorjaar 1919 verhuisde ik als zesjarige met mijn ouders naar een woning in de Madurastraat in de Indische Buurt. Van de net beëindigde wereldoorlog had ik natuurlijk geen besef, maar wel kan ik me enige feiten herinneren die daarmee verband hielden. Bijvoorbeeld dat stukje eenheidsworst, waarmee moeder zaterdagmiddag altijd thuis kwam, bedoeld voor de hele week, maar waarvan na een uurtje al geen kruimel meer over was. En dan de suiker die vader in een pan boven het gas liet smelten en daarna lichtelijk liet verbranden. Uitgestort boven het aanrecht werd het spoedig een harde massa die als koffiesurrogaat moest dienen. Ook het brood, alleen verkrijgbaar op brood-bonnen, liet blijkbaar veel te wensen over, want vaak werd er gezongen "Posthuma (minister van voedselvoorziening) zijn vrouw is dood. Is gestikt in 't oorlogsbrood.". (Folkert Posthuma was minister van Voedselvoorziening.)

Het huis in de Madurastraat was voor die tijd een zeer moderne woning. Het had elektrisch licht, terwijl de straat nog gasverlichting had, met een lantaarnopsteker als vaste dienaar. Een ande­re regelmatige verschijning was de postbode, die zelfs drie maal per dag kwam en netjes aanbelde om zijn post te overhandigen. Zelfs op zondag werd er nog bezorgd. Ook de rateljongen van de vuilnisman belde overal om al ratelend hun komst aan te kondigen. Vóór acht uur was de straat voor de huisvrouwen die dan hun kleden en matjes konden uitkloppen. Deed je dat na achten, dan had je kans een bekeuring te krijgen van de agenten, die per paard surveilleerden. Tot groot plezier overigens van de huismussen, die in hun uitwerpselen nog menig onverteerd graantje vonden. Na achten, als het stof gezakt was, was de melkboer aan de beurt, die trouw iedere dag zijn litertje melk bracht met een scheutje toe. Daarna werd het stil en was de straat voor de jeugd voor zover ze niet naar school moest. Zo stil zelfs dat de jongsten over de volle breedte van de straat konden lopen, al zingend: "We gaan voor niemand uit de weg, alleen voor paard en wagen."

Neverrippies

Naarmate we ouder werden hadden we meer ruimte nodig en maakten dan vaak een ommetje. Bij drogist Faure moesten we altijd even controleren of ‘ze’ er nog lagen, die.kleine pakjes ergens achter in de etalage. ‘Never rip’ stond er op. Was je nieuw in de kring dan werd je al gauw verteld waar die ‘neverrippies’ voor dienden. Tegen Sinterklaas moest ook de etalage van Jamin bewon­derd worden, want daar lagen dan zaken uitgestald als dobbelstenen, stukjes kaas, stukjes krenten­brood, letters, stukjes worst, ja zelfs een potje met een drolletje er in, alles gemaakt van chocola en niet van echt te onderscheiden. Einddoel van ons rondje was het Muiderpoortstation, toen nog op straathoogte gelegen met de daarbij behorende luchtbrug. Van die brug genoten we het meest als de spoorbomen geopend waren en er dus geen volk over liep. De ijzeren gootjes die aan weerszijden van de trappen ten behoeve van de fietsers gemaakt waren werden dan door ons benut om er water­vallen mee naar beneden te sturen. En dat deden we echt niet door er in te spugen.. ..Maar het mooi­ste was om de treinen onder je door te zien rijden. Zag je ze in de verte aankomen, dan probeerde je om in stoomwolken van de locomotief te kunnen staan. Daarna moest je met strakke blik naar de trein omlaag blijven kijken, waarbij je het gevoel kreeg dat je zelf snel de andere kant op opging.

Hartjesdag

Hoogtij in ons jeugdvermaak was jaarlijks zeker de derde maandag in augustus: Hartjesdag! Weken van te voren werd alles wat brandbaar was al op ‘geheime plaatsen’ opgeslagen, op de bewuste dag tegen de avond midden op straat op een grote hoop gegooid., een scheut olie er over en dan de brand erin. Een grote rol daarbij speelde het vuurwerk en menige jongen zag je dan ook rondlopen met een stinkertje in zijn hand, een smeulende oude veter, om daarmee zijn rotjes, gil­lende keukenmeiden of voetzoekers aan te steken. Mijn mooiste hartjesdag beleefde ik in 1925. Op die avond haalde mijn vader, een oud-bootsman op de grote vaart, een soort koker uit zijn kast die, naar hij vertelde, op zee gebruikt werd als een schip in nood verkeerde. Het schelle licht dat hij ver­spreidde moest de schepen die te hulp snelden de weg wijzen. Zorg jij maar eens voor het mooiste vuurwerk vanavond, zei hij Ik kreeg nog enige aanwijzingen over de ontsteking en daar stond ik, in het midden van de straat, als een verkleinde uitgave van het Vrijheidsbeeld, de toorts hoog in de lucht houdend. Maar de mijne brandde echt. En hoe! Dat geweldige fik in het midden van de straat verbleekte er bij. De hele straat werd in een verblindend licht gezet. Van heinde en ver kwamen vol­wassenen en kinderen toelopen en staarden geboeid naar die jongen, die zelf niet besefte wat hij allemaal ontketend had. Gefascineerd was zijn blik op de felle vlam gericht, terwijl de zwavel-druppels de putdeksel waarop hij stond bijna geheel deden verdwijnen. Wel vijf minuten stond hij zo. Daarna was de betovering voorbij en keerde hij langzaam tot de werkelijkheid terug. Pas toen zijn ogen aan de duisternis gewend waren, merkte hij de grote menigte op die zich rond hem had verzameld. .Zijn vader had gelijk. Het was het succes van de avond geweest.

J.J..de Meulder

---

Dagblad Het Vaderland, dinsdag 18 augustus 1925:

"HARTJESDAG

Het heeft in alle volksbuurten van Amsterdam gisteren den geheelen avond ter eere van den Hartjesdag geknetterd van het vuurwerk. Gok werden op straat vuurtjes gestookt, vooral in de Dapper- en Javabuurt. De brandweer heeft in die buurten den geheelen avond rondgereden en bluschte de vuurtjes in sommige straten bij 5-tallen tegelijk.
Door het wegwerpen van vuurwerk geraakten op het Zaanhof de kleeren van een 14-jarigen jongen in brand. Daar er dadelijk hulp ter plaatse was, waren de vlammen spoedig gedoofd."