Voor 1940

Mijn Amsterdam EXTRA: Toen de Admiralengracht nog een boerensloot was

Gerard Terwiel groeide op in de Jan van Galenstraat zag als kind eind jaren dertig boerderijtjes verdwijnen voor de aanleg van het Erasmuspark en keek zijn ogen uit naar de bedrijvigheid bij de Centale Markthallen, waar zijn opa werkte.

In de rubriek ‘Stadsnieuws’ van juni 2013 berichtte Ons Amsterdam over de geplande woonwijk op het terrein rond het ‘Amsterdam Food Center’..Bah!. Moet dat nou allemaal in (Amerikaans-)Engels? Dit waren gewoon de Centrale Markthallen! Mijn grootvader werkte daar en ik liep als jongen wel van onze woning aan de Jan van Galenstraat daarheen. Langs de groene gietijzeren drenkbak voor paarden op de hoek van de Willem de Zwijgerlaan (er was nog heel wat paardentractie), met een kleinere drinkbak aan de voet voor de honden. Schuin daartegenover de winkel van De Gruyter, met die prachtige tegeltableaus. Kort vóór het kanaal rechts de Hallen-Bioscoop en even verderop, links bij de ingang van het marktterrein, gebouw Marcanti (de ‘markt-cantine’). Daartegenover het lage, want nooit opgehoogde terrein waar elk jaar kermis en circus hun tenten en kramen optrokken.

Lees meer...

Vreemd sfeertje op de Dam (30 april 1980)

Piet Middelkoop (geb. 1955) werkte van 1978 tot 1986 bij de Amsterdamse politie. Bij de inhuldiging van koningin Beatrix in 1980 was hij een van de 900 agenten die in de roerige stad de orde moesten zien te handhaven. 

Op 30 april 1980, 05.00 uur, verzamelden alle plattepetdienders zich in de Beurs van Berlage. Veel van ons eigen district, maar nog meer van buitenaf (bijstand/detachering). Ik was met de auto gekomen en had die veilig op de Nieuwmarkt geparkeerd. We aanhoorden toespraken van diverse commissarissen en hoofdinspecteurs ter voorbereiding op de dag die komen ging. Amsterdam was in diverse veiligheidsringen onderverdeeld. Onze taak: surveilleren op Damrak en Rokin, de kraampjes en het publiek in de gaten houden, hulp verlenen waar nodig op deze vrijmarkt.
Wij werden toegewezen aan een ‘opper’ van de Rijkspolitie, die eigenlijk alleen maar wist waar de Dam lag. Verder reikte zijn topografische kennis van Amsterdam niet. Nadat wij hem duidelijk hadden gemaakt dat het Rokin ‘over’de Dam lag, gingen we met hem naar onze uitgangsposities. 
De bedoeling was dat we tussen Centraal Station en Munt gemoedelijk heen en weer zouden lopen in de feestelijke menigte, tot vier uur ’s middags. Maar tegen de tijd dat de aanstaande koningin van de Nieuwe Kerk naar het Paleis schreed, hing er een vreemd sfeertje in de lucht. Iets vertelde ons dat er wat ging gebeuren. 
Terwijl ik Beatrix onder de baldakijnen over de rode loper zag lopen, brak achter mij, op de hoek van de Dam en het Rokin, de p..... uit. Een groep ‘autonomen’ met zwarte ballonen gooiden kraampjes om op het Rokin. Er werden veel dingen richting Dam gegooid. In de Damstraat stegen zwarte rookwolken op en er klonken veel sirenes. Over het Rokin kwamen ME-busjes (regio Utrecht) aangieren, zonder bescherming, nota bene. Van het ene moment op het andere reden die busjes niet meer. Ze werden aan gort gegooid met stenen. 
Wij als plattepetters vormden arm in arm een kordon zodat er vanaf het Rokin niemand meer de Dam kon bereiken. Vóór ons dienders op een Rijkspolitie-paard. Één van ons in het kordon werd het teveel… “Dit kán toch allemaal niet, we slaan er op los.” Het lukte mij niet om hem vast te houden. Hij maakte zich los en holde, zwaaiend met zijn gummiknuppel, de menigte in. Even later was hij weer terug, met een scheur in zijn uniformjasje en zonder pet.
Later vroeg ik een bekende Telegraaf-journalist waar die rookwolken in de Damstraat vandaan kwamen. “O, op de Nieuwmarkt zijn wat auto's in de fik gestoken”, was zijn antwoord. Maar, goddank: toen ik ’s avonds na een dienst van ongeveer achttien uur de Nieuwmarkt opliep, stond mijn auto daar nog in precies dezelfde staat als waar ik hem ’s ochtends om 03.30 uur had achtergelaten.

Piet Middelkoop

 


 

Knikkeren op het Staringplein

Mevrouw C.J. Kamps-Post (1922) bewaart warme herinneringen aan haar jeugd in de Brederodestraat.

Mijn Amsterdam was van mijn vierde tot veertiende jaar “de straat”. Die straat was de Brederodestraat achter de Overtoom. Daar was geen verkeer. Niemand had daar een auto. Toch zei mijn moeder “op de stoep blijven!” toen ik voor het eerst op straat mocht met pop en poppenwagen. Samen met mijn buurmeisje ging ik niet verder dan de lantaarnpaal, want dan konden we ons huis nog zien. Maar spoedig kwamen er meer kinderen en speelden we ‘vadertje en moedertje‘ of we hielden een optocht met poppenwagens, houten autopeds, vliegende Hollanders.
Toen we later, rond 1930, zo groot waren dat we mochten oversteken gingen we ballen tegen de muur van het Lutherse ‘besjeshuis’ op het Staringplein. De besjes waren blijkbaar zo doof dat zij er geen last van hadden. Zo speelden wij het klokkenspel, wat niets met een klok te maken had. We leerden met twee  ballen, zelfs met drie gooien. Toen ik dat later aan mijn kleinkind liet zien, noemde zij mij een clown!
Een ander balspelletje had een liedje ‘rara wie heeft de bal, die mooie bal van goud’. Dan werd er een naam genoemd en die moest hem vangen. Ook was het zo nu en dan opeens knikkertijd: de tijd van vuile handen en nagels. We vonden altijd op straat wel een putje en dan begonnen we met een uppie. De jongens hadden soms ‘looie daaien’, metalen knikkers voor in de goot te spelen. Ook onze hinkelbanen versierden vaak de stoep, we hadden zelfs polsstokken om verre doelen te bereiken.
Op straat troffen wij natuurlijk ook grote mensen: bijvoorbeeld ‘Hand me tij’, de voddenman. Hij zal wel iets anders geroepen hebben maar wij verstonden dit. En er was een bedelaar die zich voortbewoog op een stoeltje. De ‘asman’ werd mijn vriend. Hij veegde de straat en de goot en had een fiets met een wagentje voor het vuil. Maar onze favoriet was toch de schillenboer met paard en wagen. Een keer heb ik ook op de bok gezeten, toen had ik mijn knie geblesseerd. En natuurlijk de Volendammer met vis en een lekkende kar van het smeltende ijs. Er waren ook Volendamse meisjes in klederdracht. Zij schrobden onze hinkelbanen weg.

Nooit ruzie
Groter geworden speelde het hele stel slagbal met rondjes, een soort honkbal. De lantaarnpalen waren de honken op het plein. Dat speelde ik nog mee, al zat ik op het lyceum in Zuid. Mijn moeder kwaad, want mijn mouw ging wel eens uit mijn jurk, trainingspakken hadden we niet.
Ruzie kan ik mij niet herinneren. Toch waren we verdeeld. Protestante kinderen gingen in het verlengde van de Brederodestraat op school. De katholieken in de Banstraat, een half uur lopen via de Overtoom, Kattenlaantje, Vondelpark en Van Eeghenstraat. Er waren daar twee scholen, één voor rijke kinderen, Dreesmann, Brenninkmeijer, enz, en onze school, de Jacobus-school, voor de dochters van winkeliers en ambtenaren.
Zo ging dat toen. We moesten schorten voor en lange kousen. De mouwen moesten ook langer. Uiteraard was het een meisjesschool. Maar we leerden wel goed rekenen en taal! En handwerken. Doe ik nog!
Onze straat is er nog, maar die staat nu vol auto’s en er staan fietsen op onze stoep.

Mevrouw C.J. Kamps-Post

Februari 2009

Kareltje ging uit vissen

Bij hoge uitzondering publiceren wij hier eens een gedicht. In dat genre kregen we in de loop der jaren heel wat toegestuurd. Ook onderstaand gedicht, dat wij bij uitzondering hier een plekje geven. Het is een trefzeker, schrijnend tijdsdocument, over een armeluisschool op de Oostelijke Eilanden rond 1905. Onze abonnee Riny Kruisheer in Purmerend vond het in de nagelaten papieren van haar vader Aart ter Stege, die op 19 maart 1894 werd geboren in de Conradstraat.

Bij ons op de school was er nooit eentje jarig
Daar werd je ook nooit echt getrakteerd.
Daar werd nooit gezongen van “lang zal ze leven”

Dat lied werd bij ons op school nooit geleerd.
Wel liepen de meesten daar altijd op klompen
Met broeken en jurken van Steun meestal aan
En moesten ze vaak om hun honger te stillen
Van twaalf tot één naar een schooleetzaal gaan.

De huizen, dat waren daar allemaal krotten
Een stijl stukje trap met een vettig stuk touw
En kwam je naar binnen, dan stonk het naar uien

En meer van die luchtjes, je viel dan haast flauw.

De armoede doolde daar rond in dat buurtje
Die kon je daar vinden in elk gezin
En hoe ze ook vochten die buiten te houden
Zij kwam zonder sleutel steeds overal in.
En met de vakantie, o, laat me niet gillen,
Dan hingen we rond in de sloppen op straat
Een handjevol knikkers, een tol met een touwtje,

Je wist heel gewoon met je leegte geen raad.
Eens na een vreugdeloos lange vakantie,
Ik weet nog heel goed hoe of het toen was,
We kwamen de school in, gingen allen weer zitten

Maar één bank die bleef toen leeg in de klas.
Het bankie van Karel, ook eentje op klompen,
Een kleine bandiet met ondeugende toet,
Ik had hem voor kort nog met hengels zien lopen,

Hij zou toen gaan vissen, o, ik weet het nog goed.

De meester kwam binnen en vroeg ernstig om stilte

En bleef bij het bankie van Karel toen staan
Hij kon alle de armoe en leed uit het buurtje
En keek met verdrietige blik ons toen aan.
Hij sprak toen van Kareltje die was gaan vissen
Niet ver uit de buurt, in het Lozingskanaal,
Zijn jas en zijn pet werden later gevonden
En ook nog een klompje, niet ver van een paal.
De andere dreef op het smerige water
Wij allen begrepen toen wel wat er was
Men is toen gaan dreggen en heeft hem gevonden

Maar het bankie van Karel bleef leeg in de klas.

Aart ter Stege
November december 2011

Gesprekken over poepluiers en betere werelden

Niet alleen bestond er rond 1970 een Beatkelder Lijn 3 onder de brug over het Vondelpark, er was daar ook een Crèche Lijn 3. Maar de crèche moest weg en verhuisde naar de noordrand van het park bij het Kattenlaantje – samen met een crèche die begonnen was in een hoogleraarskamer in de Spinhuissteeg. Antropoloog Peter van der Werff maakte het als jonge vader allemaal mee.

Crèche Lijn 3 ontstond uit een fusie van eerdere crèches die hun plek waren kwijtgeraakt. Onze dochter was haar crècheleven begonnen in een hoogleraarskamer van het Sociologisch Instituut in de Spinhuissteeg. Daar heerste socioloog en Amerikanist Professor Arie den Hollander. Hij moest evenwel niets van democratisering hebben en weigerde in 1969 nog langer college te geven. Ook kwam hij nog maar zelden op zijn instituut. Daarop hadden medewerkers en studenten met kinderen zijn kolossaal grote kamer bezet en er een crèche ingericht. Twee ouders pasten bij toerbeurt op.
De crèche kreeg een permanente status toen Den Hollander een boek kwam halen, de peuters over en onder zijn bureau zag rondkruipen en aankondigde nooit meer terug te komen. Maar helaas, de aangebleven autoriteiten wilden van ons af. Wij vonden onderdak bij nooddruftige nonnetjes in een klooster in de Jordaan. De cultuurkloof bleek overbrugbaar, maar het geschreeuw van de kindertjes in het verder zo stille klooster werd de nonnen teveel. Op even hoffelijke als besliste wijze zetten zij ons weer op straat. Dat was in de zomer van 1972.
Eén van de moeders, Jettie Prins, kende ouders die hun crèche onder de brug over het Vondelpark waren kwijtgeraakt en op de stadswerf in het park een nieuw onderkomen hadden gevonden. Zij zochten nog extra ouders en wij fuseerden. Op de werf, bij het Kattenlaantje naar de Overtoom, mochten wij de houten schaftkeet op wielen gebruiken om spullen op te bergen en bij slecht weer in te schuilen. De grote berg bouwzand was een paradijs en op een deel van de bestrating reden en renden de kindertjes rond.
Heel wat ouders troffen elkaar op het terras van het Groot Melkhuis en voerden gruwelgesprekken over poepluiers en droomgesprekken over betere werelden, zelfs tot het tijd was om de kinderen weer op te halen. Soms keerden wij weer terug op het terras en vonden de oudste peuters hun weg in de speeltuin tot het huilen geblazen was. Wij hielden een hippieachtige barbecue in het park en belegden avonden bij elkaar thuis. De sfeer leek mij, ontnuchterd door eerdere ervaringen met crèches, meer creatief dan realistisch. Dat gaf in strijd met ons verlangen naar solidariteit een zekere scheiding van geesten.
Vaders kwamen niet allemaal in de crèche of bij ouderbijeenkomsten, maar illustere vaders als fotograaf Willem Diepraam en schrijver Gerben Hellinga deden soms mee. Tekenaar Jeroen Henneman zag ik pas toen hij met Max Pam op de televisie kwam. Josef Sorgi was vaak in de crèche en voerde tot zorg van menig ouder alsmaar zoetigheden aan kindertjes. Hij beweerde uit Joegoslavië afkomstig te zijn en wilde daarheen voor de crècheouders een groepsreis organiseren, met mij als antropologische gids. Maar hij bleek uit Amsterdam-Noord te komen en de reis ging niet door.
Ten slotte kreeg ook het Vondelparkbeheer genoeg van een informele crèche. Met een paar van de ouders vonden wij onderdak in de ‘theosofenbarak’ achter bioscoop Cinétol in de Tolstraat.

P.E. van der Werff