Voor 1940

‘Heb je je gestoten, jongen?’

022011_Cover_145x212Paul Klumper (1927) woonde de eerste 30 jaar van zijn leven op de Nieuwezijds Voorburgwal, als zoon van een katholieke diamantslijper.* In deze bijdrage herinnert hij zich zijn verzetjes in de jaren dertig en vijftig van de afgelopen eeuw.

De jaren dertig waren de jaren van de grote crisis. Voor de meeste kinderen was er geen enkele luxe. Je mocht al blij zijn als je genoeg te eten kreeg. Om toch voor kinderen iets te doen organiseerden de paters van het Roothaanhuis op de Rozengracht op woensdagmiddagen filmvoorstellingen. Dan draaiden ze ‘koiboi-films’: onder andere over Rin Tin Tin, de cowboyhond die boeven ving.

Lees meer...

Het zelfgemaakte vuurduveltje

012011-cover-145x212Nood maakt vernuftig, blijkt maar weer eens uit de jeugdherinneringen van kaakchirurg J.C.G. (Hans) Mol, geboren in 1937. Tijdens de Hongerwinter van 1944-1945 werd er bij hem thuis in Amsterdam-Oost van alles verzonnen om een beetje warmte en licht te krijgen.

De dagelijkse hectiek van de Hongerwinter, in grote lijnen al beschreven in het recente winternummer van Ons Amsterdam, staat mij nog helder voor ogen, ook al was ik toen pas zeven jaar. Er werd praktisch geen onderwijs meer gegeven. Daarom werd over het schooljaar 1944-1945 ook geen rapport meer uitgereikt. We bleven dus thuis.

Lees meer...

Stille tuinman Sikkel

062008_CoverDick de Scally memoreert tuinman Sikkel, zowel vriend als vijand van de jongens in het Volewijckspark. Op Sikkels verjaardag zongen de jongens ‘Lang zal die leven’.

Het enige nut van de parkwachters en tuinmannen in het Volewijckspark was voor ons dat je met ze kon spelen en ze speelden gelukkig ons spelletje altijd mee. Dat spel heette: parkwachter pesten. De partijen waren ongeveer even sterk. Niet in aantal, want een grote groep jongens stond tegenover hooguit drie parkwachters en tuinmannen.

Lees meer...

Muziek op zaterdag

07082008_CoverAls in het Concertgebouw de muziek van Tsjaikovski wordt gespeeld, denkt Coco Snoek altijd even aan de Javastraat.

Op een zaterdagmiddag speelden in de Javastraat twee mannen prachtige muziek. Gefascineerd luisterde ik er naar. Wat een muziek. Heel anders dan de orgelmuziek waarop we zondags in de kerk psalmen zongen. Veel later herkende ik hun deuntje: Tsjaikovski. Van mijn moeder, die het stel kende, moest ik direct doorlopen. Ik mocht er niet naar luisteren, want, waarschuwde ze mij, als de Grünen er aan kwamen, pakten ze die musici op en mij dan misschien ook wel. Dan brachten ze ons naar de Euterpestraat, waar het heel erge was.
Waarom dat was en hoe erg het erge was, zou ik later als ik groot was wel begrijpen.

Lees meer...

Tot onder de boeg van een oceaanreus

102008_CoverIn deze rubriek met lezersherinneringen blikt Hans Franse terug op de voor hem onvergetelijke zomer van 1958, toen hij gids was op een rondvaartboot van rederij Kooij.

Het begon met een kleine advertentie in De Telegraaf. Rederij Kooij vroeg een gids die in meerdere talen uitleg kon geven over de stad. Ik sprak mijn talen en was een enthousiast ‘heemkenner’. Bij de steiger op het Rokin ontmoette ik een forse dame die mevrouw Kooij bleek te zijn. Zij drukte mij op het hart vooral niet te “bietsen” (te nadrukkelijk om fooi vragen) en nam mij aan.
Op de luxe rondvaartboot Albert Pieter leerde ik het vak van een collega. Daarna begon ik, gesierd met de naam “pyama” vanwege een rood gestreept jasje, dat ik dan ook na één keer uitliet.

Lees meer...