Rommelige bevrijdingsdagen

OAM_05_2010-cover-145x212Tidde (1936) en Siebren (1939) de Boer werden tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog met hun moeder en zusje Eelkje uit Amsterdam naar familie in Friesland gesmokkeld. Hoe de hoofdstad bevrijd werd, lazen zij in mei 1945 in brieven van hun vader Tjerk IJke de Boer (1909-2001), vanaf 1930 assistent op de administratie en na 1941 procuratiehouder bij het Algemeen Handelsblad.

In de beruchte Hongerwinter 1944-1945 raakten wij ondervoed. Ook onze goede Friese contacten ‘droogden op’ door verscherpte Duitse controle. Vader en moeder besloten ons kinderen naar Bolsward te krijgen. Via de gereformeerde pastorie van Huizen voeren we in februari 1945 in een geblindeerde, ijskoude en stinkende tjalk van de beurschippers Koch & Eekhof naar onze grootouders in Bolsward. Met onze ‘stadse’ ervaringen was het wel weer wennen daar op school… We zouden er tot juli 1945 blijven.

Bolsward werd al op 15 april1945 bevrijd, maar Amsterdam pas op zaterdag 5 mei. Op 10 mei schreef vader een uitvoerige brief aan zijn “Innig geliefde Tiny en Kinderen” over zijn ervaringen in de afgelopen weken: “Vrijdagavond [4 mei] om half tien kwam het bericht dat de Duitschers in West Nederland gecapituleerd hadden. Alle menschen vlogen de straat op en hier en daar werden er al vlaggen uitgestoken, maar het was te vroeg gejuicht, want toen verschenen de Duitschers op straat en hebben als gekken geschoten zoodat na een kwartier alle menschen weer verdwenen en de vlaggen weer binnen waren.”

Over zaterdag 5 mei, toen de capitulatie echt een feit werd, schrijft vader wonderlijk genoeg niets. Op zondag was de stad “één vlaggenzee” en “hadden we een prachtige kerkdienst met ds Kuiper.” Maar op straat bleef het stil, want de Duitse soldaten waren er nog – en de bevrijders nog niet.

Op maandag 8 mei liep het nog even helemaal mis. “De Dam zag zwart en oranje van de mensen en daar hebben de Duitsers de mitrailleur op gezet. Ik zal er niet meer van schrijven dan dat het misdadig was. Ik was met enige anderen op kantoor en moest daar blijven tot de strijd geëindigd was. Er lagen toen eenige tientallen doden op straat, meer dan honderd gewonden en verder fietsen van hals over kop gevluchte menschen, kinderwagens, bakfietsen etc.”

Dinsdag 8 mei kwamen eindelijk de Canadese bevrijders. “’t Was een mooi gezicht toen de tanks de stad binnenrolden. Alles wat vrouw was, stortte zich in de armen der Canadezen.” Op 9 mei was vader vanuit het Handelsbladgebouw getuige van het afvoeren van de Duitse krijgsgevangenen. Er waren weer duizenden menschen op de Voorburgwal. Toen de auto's wegreden heeft deze menschenmassa zoo’n afschuwelijk geloei aangeheven, met zulk een schel en sissend gefluit van wel 100 fluitjes dat het me door merg en been ging. Hier werd een zee van haat afgereageerd. (…) Verder werden in de stad allemaal volksgerichten gehouden. Meisjes die met Duitsche soldaten hebben verkeerd werden ’s avonds ten aanschouwe van honderden buurtbewoners kaal geknipt waarna op de schedel met zwarte lak of roode menie een hakenkruis werd geschilderd. Dinsdagavond was ik bij Arjan en Marie. Ik was er toen getuige van dat Mevrouw P., vlak naast hun, een dergelijk oordeel trof. Na de behandeling viel mevrouw flauw. Onze gehele buurt is nu ongeveer van N.S.B. gezuiverd. Ze werden verschrikkelijk bespot en vernederd, echter geen handtastelijkheden”, aldus mijn vader.

Nee, niet alles was feest bij de bevrijding van Amsterdam…

Tidde en Siebren de Boer

Mei 2010