Door het oog van de naald

OAM_10_2010-cover-145x212Henk Huig, die bijna 20 jaar docent schilderkunst was aan de Gerrit Rietveldacademie, was tien toen hij met zijn ouders en zus in 1944 door een Duitse soldaat betrapt werd bij een poging kolen te jatten uit een spoorwagon. Beeldend schetst hij hun paniek.

Tijdens de Duitse bezetting woonden wij in een benedenhuis in de Indische Buurt, in de bocht van de Sumatrastraat, op nummer 158. In 1944 ging het gerucht dat op het rangeerterrein bij de Kruislaan open wagons met grote brokken locomotiefkolen stonden.

Mijn vader (57), mijn moeder (47), mijn zuster Gin (20) en ik (10) gingen daar lopend met de fiets zonder banden en met wat juten zakken op af. Bij het eind van de Molukkenstraat staken we de Ringvaart over, liepen onder het spoorviaduct door en linksaf over de Archimedesweg tot het volgende viaduct, bij de Kruislaan. Daar vonden we een gat in het prikkeldraad dat ons van de spoordijk scheidde. Na de fietsen in de bosjes te hebben verstopt, kropen we met enige moeite door dat gat. De wagons stonden gelukkig dichtbij. Gina klom naar boven en kantelde de decimetergrote loodzware brokken naar beneden. Ik rolde ze de dijk af. Beneden vulden vader en moeder de zakken.
Ze waren juist begonnen, toen door hetzelfde gat in het prikkeldraad een Duitse agent van middelbare leeftijd opdook. “Ausweis!”, blafte hij. Mijn vader, met wat al te gemoedelijke gebaren (hij was een populair tramconducteur), greep in zijn binnenzak en overhandigde de man glimlachend een niet ter zake doend papier van de Gemeentetram.
Woedend over de naïeve poging tot bedrog, pakte de soldaat zijn pistool en zette de loop op mijn vaders voorhoofd. Die gaf toen maar gauw zijn persoonsbewijs.
Na wat Duitse volzinnen over ‘Konzentrationslager’ beval de Duitser dat mijn zus en ik de kolen weer op de wagen legden. Daarna maande hij ons, nog steeds zwaaiend met zijn pistool, snel weg te wezen. En dat deden we.
Op straat wiste mijn vader zich het zweet van zijn voorhoofd. Zijn persoonsbewijs (met naam en adres) was immers door de soldaat meegenomen. Het werd een angstige avond. Om vier uur ’s ochtends werd ik wakker door de deurbel. Moeder was radeloos en vader liep bevend in zijn hemd naar de voordeur. Buiten stond een man in een zwart uniform die zich als politieman bekend maakte. Hij zag de paniek van mijn vader en stelde hem snel gerust. Het bleek een ver familielid te zijn die nachtdienst had gehad in een spoorhuisje op het bewuste rangeerterrein. Daar had hij uit verveling zitten bladeren in papieren op een tafeltje en ineens een ‘Ausweis’ gezien met de hem bekende naam Huig. Hij had het in zijn zak gestoken en kwam het ons nu terugbrengen.
Mijn vader was heel dankbaar en dolblij, Maar de vraag bleef toch of alle gegevens al waren overgeschreven door de Grüne Polizei. Hierover ging die ochtend het gesprek, toen ik naar buiten keek en ineens de soldaat van gisteren op ons af zag komen lopen! Dus toch! Als in een reflex doken we allemaal onder de vensterbank, nu en dan heel even snel door de vitrage glurend. Goddank: op het laatst boog hij iets naar rechts af en belde aan bij nummer 162, waar buurman Kieft clandestien tabak verkocht. Even later zagen wij hem tevreden met zijn sigaretten weglopen. Onze opluchting kom niet groter zijn.

Henk Huig

Oktober 2010