‘Heb je je gestoten, jongen?’

022011_Cover_145x212Paul Klumper (1927) woonde de eerste 30 jaar van zijn leven op de Nieuwezijds Voorburgwal, als zoon van een katholieke diamantslijper.* In deze bijdrage herinnert hij zich zijn verzetjes in de jaren dertig en vijftig van de afgelopen eeuw.

De jaren dertig waren de jaren van de grote crisis. Voor de meeste kinderen was er geen enkele luxe. Je mocht al blij zijn als je genoeg te eten kreeg. Om toch voor kinderen iets te doen organiseerden de paters van het Roothaanhuis op de Rozengracht op woensdagmiddagen filmvoorstellingen. Dan draaiden ze ‘koiboi-films’: onder andere over Rin Tin Tin, de cowboyhond die boeven ving.
Die filmvoorstellingen kosten 2,5 cent, een ‘plak’, zoals mijn grootmoeder zei. Voor mijn 6de verjaardag vroeg ik mijn ouders om een halfjaarabonnement. Ik kreeg een sigarenkistje van mijn vader met daarin 26 halve stuivers en spoedde me elke woensdagmiddag met mijn vriendje uit de Rozendwarsstraat naar ‘de Roothaan’.
Daar stonden om kwart voor vier een paar honderd jongens tussen vijf en vijftien in korte broek, sportkousen, Robinson-sandalen en een handgebreide slip-over – in die tijd de gangbare kleding. Elke week keek ik er met spanning naar uit. Wat hadden we een lol, wat waren we onbedorven. Nog altijd denk ik met enige weemoed terug aan die middagen die de paters ons bezorgden. Om vijf voor vier ging de grote deur van het gebouw open en stroomde de meute de zaal in; petjes werden afgerukt en onder gejuich de lucht ingegooid, kortom een geweldige keet en geschreeuw. Als om precies vier uur de bel ging, steeg een gillend gejuich op en begon de film. Het waren bijna allemaal nog stomme films; heel af en toe was er geluid, bijvoorbeeld met Gene Autry, de zingende cowboy.
Nee, dat al die arme stadse bleekneusjes toen een vreugdeloos bestaan leden op die Amsterdamse bovenhuizen, is toch echt een misverstand. Net als het moderne idee dat alle paters gevaarlijk zijn voor kleine jongens. Ik heb alleen maar goede herinneringen aan ze.
Na de oorlog werd het leven nog iets wilder. Kort na de bevrijding werden er in Amsterdam op uitgebreide schaal straatgevechten gehouden tussen bendes opgroeiende jongens in de binnenstad, waarschijnlijk door onze testosteronspiegel en de zojuist beëindigde oorlog. Het was de éne wijk tegen de andere, bij ons bijvoorbeeld de Stromarkt (het stukje Singel tegenover de Ronde Lutherse Kerk) tegen de Haarlemmerdijk. Na schooltijd ging het als een lopend vuurtje door de buurt: “Jongens, knokken op de Stromarkt.” In korte tijd waren er wel zo’n 50 jongens bij elkaar, gewapend met houten stokken, geen messen of andere gevaarlijke steekwapens. Die gevechten gingen niet om een meisje, zoals in de film: we wilden gewoon lekker matten.
Lang duurden die gevechten nooit, want er was altijd wel een volwassene die de politie waarschuwde. Dan kwam er een agent op de fiets van bureau Warmoesstraat, pakte zijn gummistok en riep “Oprotten allemaal.” Einde oefening, uitslag onbeslist. Als ik thuiskwam, met blauwe plekken of een blauw oog, vroeg moeder naar de bekende weg: “Heb je je gestoten, jongen?” Ze wist echt wel wat er gebeurd was…

Paul Klumper
Februari 2011

*Zie ook Ons Amsterdam, september 1998 en mei 2008.