Het zelfgemaakte vuurduveltje

012011-cover-145x212Nood maakt vernuftig, blijkt maar weer eens uit de jeugdherinneringen van kaakchirurg J.C.G. (Hans) Mol, geboren in 1937. Tijdens de Hongerwinter van 1944-1945 werd er bij hem thuis in Amsterdam-Oost van alles verzonnen om een beetje warmte en licht te krijgen.

De dagelijkse hectiek van de Hongerwinter, in grote lijnen al beschreven in het recente winternummer van Ons Amsterdam, staat mij nog helder voor ogen, ook al was ik toen pas zeven jaar. Er werd praktisch geen onderwijs meer gegeven. Daarom werd over het schooljaar 1944-1945 ook geen rapport meer uitgereikt. We bleven dus thuis.

Maar daar konden we niet meer beschikken over gas en elektriciteit. Met alle gevolgen van dien. En dat maakte ons nou juist vindingrijk!
Wij woonden destijds in de Oosterparkbuurt. Gewapend met zeven gingen buurtbewoners naar het dichtbijgelegen rangeerterein om de achtergebleven sintels te zeven op zoek naar nog onverbrande kolen. Natuurlijk werd er ook jacht gemaakt op hout en moesten de bomen het ontgelden. De forse platanen op het Eikenplein zijn van ná de oorlog! De trambaan langs het Oosterpark werd in snel tempo ontdaan van de geteerde dwarsbalken. Ze verdwenen in menige kachel, waarbij de stank voor lief werd genomen.
Uit veel leegstaande huizen werd alle hout weg gesloopt. Dat was natuurlijk funest voor de constructie. Ik heb nog precies op mijn netvlies staan hoe buren de voor- en achtergevel van een leeg gesloopt huis in de Blasiusstraat uit voorzorg omver trokken om het maar niet op een instorting te laten aankomen. Ook de latten van onze eigen zolder belandden linea recta in de kachel. Net als een paar zware balken in de dekkap die naar vaders mening niet strikt onmisbaar waren. Zelf heb ik met mijn zaagje uit Jantjes Timmerdoos nog een hulstboompje omgezaagd op het ’s-Gravesandeplein, juist voor het toenmalige politiebureau. Het hout was helaas zo nat dat het niet wou branden.
Nu was een kolenhaard niet bij uitstek geschikt voor dergelijke stokerij. Vader had daarom speciaal voor dat doel van plaatijzer een ‘vuurduveltje’ gemaakt, een soort noodkacheltje. Om aan plaatijzer te komen had hij bij een leegstaande winkel een groot geëmailleerd reclamebord geconfisqueerd. Nadat alle email eraf was gehamerd, kon van het plaatijzer een vuurduiveltje worden gemaakt. Je kon erop koken en het gaf nog wat warmte ook!
Wij hadden toevallig nog wat raapolie (lampolie). Op tafel stond ’s avonds een glas raapolie met daarin een drijvertje waaruit een brandende pit stak die een zwak licht verspreidde. En als het koud is en er is amper licht, gaat een mens vroeg naar bed. Bij gebrek aan dekens, legden wij ook alle jassen op de bedden. ’s Nachts lag er een knijpkat (een mechanische zaklantaarn) binnen handbereik om een gang naar het toilet te kunnen bijlichten en er voor te zorgen dat er niet naast de pot werd gepiest. Want ook in barre omstandigheden behielden we graag onze waardigheid.

Hans Mol
Januari 2011