Wijwater is gewoon water, proefde ik

Nico Boon (geboren in 1926) groeide op in de Pijp – niet in de sjofele arbeidersbuurt, maar in de 'Nieuwe Pijp', met die prachtige woonblokken in de Amsterdamse Schoolstijl, tussen de Tolstraat en het Noorder-Amstelkanaal.


Bij toeval kan ik me een Amsterdammer noemen. Mijn vader verkoos een baan bij de Amsterdamse Publieke Werken, afdeling Bruggen, boven een baan in zijn geboorteplaats Wormerveer. Als je bij de gemeente Amsterdam ging werken, dan moest je ook in de stad wonen. Mijn geboortehuis werd de Cornelis Springerstraat 33, eerste etage.
Rond 1930 verhuisden we naar het benedenhuis om de hoek, gebouwd in dezelfde soort Amsterdamse School minder dan 100 meter van het eerste huis, David Blesstraat 5. In die jaren moest ik vaak 's avonds de krant ophalen uit de centrale brievenbus in de buitendeur voor de zes families die het trappenhuis gebruikten. Die trappen waren donker, op elke verdieping was maar een klein vierkant raampje in de gevel en beneden bij de voordeur een paar heel kleine ruitjes. Elke keer gaf me dat een gevoel van iets onheilspellends. Fluiten hielp om dat gevoel te beheersen.
Mijn kleuterschool was een nonnenschooltje in de Rijnstraat, rond 1930 het eind van de Rivierenbuurt. Een kale vlakte lag aan de zuidzijde ervan. De geur van mijn broodtrommeltje met brood met anijshagelslag, die ik me kan herinneren, roept een sfeer op van heimwee. Ik vond het er kennelijk niet zo prettig. De nonnen zou ik nu als wat kille wezens aanduiden, die Ik eigenlijk niet als vrouwen of een soort moeders herkende.
Toen zus Rietje (drie jaar jonger), met haar mooie krulhaar, vijf jaar was, overleed ze aan longontsteking. Op de dag van haar begrafenis werd ik gebracht naar de aardige buren, de familie Nibbering. Ik zie nog voor me dat ik de hele tijd dat ik daar was op het balkon van een meter of vier lang en minder dan een meter breed op hun 'vliegende Hollander' (die voertuigen zie je nu niet meer) steeds maar zwijgend voor- en achteruit heb gereden. Minimalistische rouwverwerking, zo mag je het mogelijk noemen.
Als vijfjarige (ik was een 'oktoberkind') ging ik in 1931 naar de roomse lagere school in de IJsselstraat. In elk weekrapport stond hoe vaak je die week de Thomaskerk in de Rijnstraat had bezocht. Ik kwam daar niet vaak; mijn ouders waren weinig 'kerks'. De geur van wierook en de klanken die mooi galmden in die Roomse kerk als er gezongen werd, staan me nog wel voor de geest. Die gregoriaanse klanken doen me nog steeds wel wat en ook dat Latijn maakte wel indruk, juist omdat je er niets van verstond.
Mijn eerste ervaring met het zelf testen van feiten vond plaats bij het ophalen van wijwater in de Willibrorduskerk aan de Amstel. Een schoolvriendje moest voor zijn moeder enige flessen ophalen en ik ging een keer mee. Dat water stond in grote zinken tobbes klaar. Ik zie me nog mijn natgemaakte vinger in mijn mond steken: ik proefde niets bijzonders. Toen dacht ik al: dit is gewoon water.