Cafe ' De Kat in de Wijngaert'

(OA juli/aug. 2014]

Ome Cor hield glaasjes goed in de gaten

Cor Ravesteijn (1924) was vele jaren kroegbaas van De Kat in de Wijngaert aan de Lindengracht, een van de oudste cafés van de Jordaan. (Voor de deur begon in 1886 het Palingoproer.) In 2001 noteerde zijn nichtje Ineke van Stuijvenberg de herinneringen van Cor aan zijn eigen ome Cor, hier kastelein aan het begin van de 20ste eeuw.

De Kat in de Wijngaert? Lindengracht nummer 160! Dat weet ik heel goed, want mijn kameraad woonde op nummer 158. Als jongetje van zes, zeven kwam ik daar al elke dag langs, op weg naar school. In 1920 stond ome Cor al in De Kat. Toen was het al een behoorlijk groot café, maar door een verbouwing rond 1935 is het nog een stuk groter geworden. Onder meer de kelderwoning werd erbij getrokken.
Daar beneden woonde tante Mien, een nicht van tante Koos. Ze sliep er met een klep die naar buiten open kon voor de frisse lucht. ’s Morgens vroeg, voor de zaak openging, stond zij al achter de toonbank. Ze bediende dan de mensen die vroeg naar hun werk gingen. Het was toen nog de gewoonte dat de mannen, op weg naar hun baas, een maatje jenever meenamen in de binnenzak! In de vroege ochtend haalde Mien zo een aardige omzet binnen.
Dat café van mijn ome Cor was toen al een tikkie anders dan de andere. Hij had namelijk een volledige vergunning. In de andere werd vooral bier geschonken, meestal van Bavaria. Het café was altijd druk met mensen van de markt. Die was er elke dag, behalve op maandag. Ome Cor kwam meestal tegen elf uur naar voren. Dan ging-ie even een luchtje scheppen voor de deur, onder het wapenschild van De Kat. Hij dronk natuurlijk ook zelf een borreltje mee! Dat-ie vroeg dood gegaan is, dat kwam niet van een glaasje Cola…
De ingang van de kroeg was op de hoek en als je naar binnen ging, dan stond de toonbank  vlak voor je. Die had een stang aan de voorkant, waar je je voet op kon zetten. Naast de toonbank was natuurlijk ook een kwispedoor. Want de meeste mannen hadden toen nog wel een ‘pruimpie’ achter hun kiezen. Aan de voor- en zijkant (de Lindengracht en de Tweede Goudsbloemdwarsstraat) waren zitjes bij het raam met een tafel en twee stoelen. Het toilet was beneden. Dat was nog voor mannen én vrouwen.
Het café werd schoongemaakt door tante Mien. Achter de tap woonden ome Cor en tante Koos. Daar was één slaapkamer en een klein raampje dat uitzag op de Tweede Goudsbloemdwarsstraat. Het was er allemaal akelig klein.
Op zaterdagavond was het een drukke bedoening, want dan kwam iedereen afrekenen. Na vijven zaten ze dan al in de kroeg: heiers, stukadoors, stratenmakers, tegelzetters. Ook aannemer Roos, die de verbouwing had gedaan. Waar ze het ook over hadden, de visboeren, groenteboeren, aannemertjes en zo, Cor knikte, luisterde en zweeg. Hij hield alleen de glaasjes goed in de gaten! Als hij zag dat iemands glaasje leeg was, ging hij erop af met de fles.