Soepbenen en snoepcenten

De latere kunstschilder Jan Strube (1892-1985) verhuisde als tweejarige in 1894 naar de Jacob van Lennepstraat. Die buurt was toen nog jong. Kort voor zijn dood tekende zijn dochter Sonja nog vele jeugdherinneringen van rond 1900 uit zijn mond op. Daar is nu een klein boekje van gemaakt. We kozen enkele fragmenten.

“Als wij de Jacob van Lennepstraat uitkwamen en je ging linksaf dan was daar de Bilderdijkstraat. Nu een verkeersader, maar toen doodstil. De straat was hier en daar schaars bebouwd met huizen en enkele winkels. Vrij dicht bij de Van Lennepstraat was een grote open plek. Ruw grasland met een houten schutting er omheen. Hier had men een speeltuin gemaakt met wippen en schommels. Voor de prijs van een cent kon je een kaartje kopen bij de slager op de hoek.
Als je rechtsaf sloeg, de Eerste Constantijn Huygensstraat in, dan stond daar op het huidige WG-terrein het oude Pesthuis. Een indrukwekkend gebouw en ook heel oud. Aanvankelijk stond het natuurlijk buiten de stad. Het was in gebruik bij de Vereniging Hulp aan Onbehuisden. Het stond op een groot grasveld en er was een groot ijzeren hek voor.
Tegenover dit Pesthuis was op een hoek slager Houtman, waar wij ’s zaterdags altijd in de rij stonden om vlees te halen. ‘Een pond en een ons’, hetgeen betekende een pond krip (klein gesneden rundvlees) en een ons vet. Deze slager had eersteklas vlees. Het duurdere vlees werd natuurlijk verkocht in de betere buurt bij het Vondelpark. Het was hier namelijk zo’n beetje de grens tussen de rijke buurt en de goedkopere buurt. Op zaterdag werd het stoofvlees dan goedkoop verkocht met een stuk vet toe. Dat vet wogen ze niet. Ze sneden zomaar snel een flink stuk af. Soms wel een half pond.
Op de linkerhoek van de Van Lennepstraat was een speciaalzaak in koffie, thee en cacao. Hier haalden wij altijd onze koffie. Eens haalde ik daar een zakje koffie, samen met Willem. Toen we buiten kwamen gingen we het wisselgeld natellen en ik zeg tegen Willem: ‘Die meneer heeft te weinig gerekend. Hij heeft teveel teruggegeven.’ Wij liepen terug naar binnen. Toen pakte die man een tablet chocola, brak er een reep af en gaf ons die als beloning.
In de Van Lennepstraat was ook een boter- en kaaswinkel. Rondom in de winkel waren planken die vol lagen met kaasjes. Kaas was voor ons een heerlijkheid van de eerste rang. Alleen ’s zondags kregen wij twee boterhammen met kaas. Wij gingen in die winkel margarine halen. Er stonden spanenhouten vaatjes met boter en margarine van diverse prijzen. Maar mijn ogen gingen dan over die kazen en dan dacht ik: ‘Als ze mij nou eens zo’n kaasje gaven, daar zouden ze toch niet armer van worden?’ Maar ja, dat is nooit gebeurd.
In de Tollensstraat woonde een voddenbaas in een kelderwoning. Die verzamelde vodden en botten. Als wij eens een keer soep aten, dan werden er bij de slager soepbenen gehaald en die werden dan natuurlijk braaf afgekloven. Dan mochten wij die benen hebben om naar de voddenbaas te brengen. Hij kwam een paar treetjes af, woog het zaakje zo even op zijn hand en zei: ‘Twee centen.’ Dan gooide hij ze in een hoek op een hoop benen en wij hadden weer een paar snoepcenten.”