Broodbeleg alleen op zondag

De zuidwesthoek van de Pijp stond vroeger bekend als het Papendorp: een katholieke enclave bij uitstek. Henk van Stigt (1928) groeide er op.

‘Papendorp’. Nee, dat vonden wij geen scheldwoord, eerder een soort geuzennaam. Officieel hoorden we bij de Pijp, maar daar dachten wij anders over. De echte Pijp begon volgens ons ten noorden van de Ceintuurbaan, waar die lange straten met revolutiebouwwoningen lagen. Onze huizen waren ontworpen door echte architecten. Het Papendorp werd omsloten door de Ruysdaelkade, de Jozef Israëlskade, de Ferdinand Bolstraat en de Pijnackerstraat. Voor die tijd waren het goede woningen, al was er maar één schoorsteenaansluiting en ontbrak een badkamer. De hele familie waste zich bij de kraan in de keuken.
Kern van het Papendorp was de driehoek Pijnackerstraat-Ferdinand Bolstraat-Van Hilligaertstraat. Daar stonden de Vredeskerk, kloosters en katholieke scholen. Omstreeks 1934 werd het Paxhuis gebouwd op de nog lege hoek van de Ferdinand Bolstraat en de Van Hilligaertstraat. Dat was het parochiehuis, met beneden een zaal voor feesten en een voor theatervoorstellingen, en boven vergaderzalen. Helemaal bovenin woonde de conciërge.
De kloosterlingen gaven les op de naastgelegen jongens- en meisjesscholen. Alleen op ‘onze’ Sint Franciscusschool in de Van Hilligaertstraat was het hoofd, meneer Van ’t Hout, een leek. De school was door een schutting gescheiden van de Corneliusschool in de Pijnackerstraat. Beide jongensscholen deelden de gymnastiekzaal, waar mijnheer Robert les gaf. Hij zat tijdens de Tweede Wereldoorlog in het verzet, werd gearresteerd, belandde in een concentratiekamp, maar kwam weer terug en gaf daarover lezingen in het Paxhuis.
Mijn ouders verhuisden in 1929 (ik was toen één jaar) vanuit de Jordaan naar de Vincent van Goghstraat in het Papendorp. Eerst woonden we op 37-eenhoog, later in hetzelfde trapportaal op tweehoog. In onze straat woonden vooral (semi-)ambtenaren. Op 35 bijvoorbeeld een spoorwegman en een politieagent; mijn vader werkte zelf bij de Post.
Het geloof speelde een belangrijke rol in ons leven. Mijn ouders waren streng katholiek. Zoals het hoorde, kregen ze veel kinderen. Wij hadden dan ook in de crisisjaren veel moeite om rond te komen. Broodbeleg was er alleen op zondag, net als vlees bij de warme maaltijd.
We speelden veel op straat: knikkeren, tollen, voetballen en diefie-met-verlos.
Auto’s kwamen zelden in onze straat, behalve als er een autotentoonstelling was in de RAI. Je kon aan het nummerbord zien uit welke provincie ze kwamen. Wij noteerden die in een boekje en als je een zeldzame zag, bijvoorbeeld uit Limburg of Groningen, vertelde je dat aan je vriendjes.
Twee van mijn broertjes en ik werden misdienaar in Huize Lydia op het Roelof Hartplein, een soort pension van de Vereniging tot Bescherming van Meisjes om meisjes uit de provincie in het gevaarlijke Amsterdam op te vangen. Er woonden ook onderwijzeressen. We vonden het prachtig als we daar de heilige mis mochten dienen. Allemaal in het Latijn, dat juffrouw Pronk, onderwijzeres, ons in de kop had gestampt. Na afloop mochten we in de keuken net zo veel boterhammen met chocoladevlokken eten als we lustten.

Henk van Stigt
Januari 2014