Werklozenvlees in kaftpapier

11122008_CoverIn deze rubriek met lezersherinneringen blikt Wim Bongers terug op zijn werk bij de Stadsdrukkerij in de jaren dertig en veertig.

Toen ik bij een bezoek aan de Stadsdrukkerij mij vergaapte aan de eigentijdse ‘toverapparatuur’ gingen mijn gedachten onwillekeurig uit naar diezelfde drukkerij in het verre verleden. Juni 1936 kwam ik met mijn diploma letterzetten van de grafische school. Apetrots! Een ver familielid die bij de Stadsdrukkerij werkte, gaf mij de raad om daar maar eens te solliciteren. Er volgde zowaar een oproep en ik werd aangenomen als jeugdige letterzetter tegen een loon van f 6,24 per week. Dolgelukkig!

Als jongst aangestelde had ik tot taak om elke ochtend voor de zetters boodschappen te doen. Op de binderij maakte ik van stevig kaftpapier een grote zak en vervolgens ging ik alle zetters langs. De route die werd gelopen was: Hoge Sluis, Frederiksplein, Utrechtsestraat, Kerkstraat, Nieuwe Kerstraat, Weesperstraat en Weesperplein. Een gezellig tochtje door de oude Jodenbuurt. Bij terugkeer werd alles netjes per zetter afgeleverd, waarbij de fooi meestal bestond uit één of twee centen per bestelling.
De bestellingen waren gevarieerd. Voor een van de zetters moest geregeld bij de visboer in de Weesperstraat een ‘harinkie uit de ton’ worden gehaald. Ook een blik werklozenvlees, waarvoor hij een bon op de kop had getikt, behoorde tot zijn geregelde bestelling. Die moest je halen bij de Sociale Dienst in de Galerij bij het Frederiksplein. ‘Meneer Klein’ – als hij telefoneerde kondigde hij zich daarmee aan – had de gewoonte om strijk en zet een rijksdaalder in de lucht te gooien als je voor boodschappen bij hem kwam. Iedereen kon dan zien hoe goed hij in zijn slappe was zat. En dan volgde de bestelling: gevulde koeken of gevuld speculaas.
De zetters waren over het algemeen zeer individualistisch ingesteld, wat niet altijd de sfeer ten goede kwam. Ruzies en pesterijen kwamen geregeld voor. Ook de politiek speelde daarbij een belangrijke rol. Communisten, socialisten, protestanten en katholieken stonden van tijd tot tijd briesend tegenover elkaar.
Ook voor de Stadsdrukkerij vormde de Tweede Wereldoorlog een zwarte bladzijde in de geschiedenis. Bestonden de opdrachten voorheen uit normaal drukwerk ten behoeve van de gemeentediensten en –bedrijven, nu werd de drukkerij verplicht orders te accepteren van de vijand. Weigering zou sluiting van het bedrijf tot gevolg hebben gehad. Dus moest er veel drukwerk worden gemaakt dat tegen de borst van het overgrote deel van het personeel indruisde.
Van wat ik mij herinner had slechts een drietal personeelsleden sympathie voor de bezetter. Een dove corrector was lid van de NSB, een zetter werd later vrijwillig ‘Jan Hagel’ (een soort burgerwacht voor de moffen) en een jonge binder tekende voor de NSKK, een transporteenheid van de Duitsers. Toen de vakbonden door de NSB’ers werden overgenomen, hebben de meesten hun lidmaatschap opgezegd. Het is mij nooit helemaal duidelijk geworden waarom de Stadsdrukkerij zich niet heeft aangesloten bij de Februaristaking. Is zij niet benaderd door de stakingsleiding of waren er andere motieven? Wel is het een feit dat er heel wat bij ons gedrukte bonkaarten voor de centrale keuken de weg naar de illegaliteit vonden. Dat gebeurde via Willem Bunink, die kennelijk in het verzet zat, maar daar nooit over sprak.
Op een bepaald moment had een speciaal in het leven geroepen commissie Voedselvoorziening voor ons een partij aardappelen op het oog, die naar ik meen ergens in Friesland lag. Liefhebbers die de gok wilden wagen, dienden een bepaald bedrag te storten in de aardappelkas die door Bokhorst van personeelszaken werd beheerd. Maar wat er kwam: geen aardappelen. Maanden gingen voorbij en de ‘aandeelhouders’ dachten al dat ze hun geld kwijt waren. Totdat over de zetterij een kreet klonk: ‘De aardappelen zijn er!’ Iedereen die de gok had gewaagd, kwam in het bezit van een mud prima aardappelen. De honger kon weer een flinke poos worden gestild.

Wim Bongers
November-December 2008