Tot onder de boeg van een oceaanreus

102008_CoverIn deze rubriek met lezersherinneringen blikt Hans Franse terug op de voor hem onvergetelijke zomer van 1958, toen hij gids was op een rondvaartboot van rederij Kooij.

Het begon met een kleine advertentie in De Telegraaf. Rederij Kooij vroeg een gids die in meerdere talen uitleg kon geven over de stad. Ik sprak mijn talen en was een enthousiast ‘heemkenner’. Bij de steiger op het Rokin ontmoette ik een forse dame die mevrouw Kooij bleek te zijn. Zij drukte mij op het hart vooral niet te “bietsen” (te nadrukkelijk om fooi vragen) en nam mij aan.
Op de luxe rondvaartboot Albert Pieter leerde ik het vak van een collega. Daarna begon ik, gesierd met de naam “pyama” vanwege een rood gestreept jasje, dat ik dan ook na één keer uitliet.

Ik genoot ongelooflijk van het werk. Er bestaat niets mooiers dan op een prachtige zomerdag via de Amstel door de Herengracht te varen en via de Brouwersgracht te belanden op het weidse IJ, waar grote zeeschepen toen nog heel gewoon waren. Soms koerste een schipper tot onder de boeg van zo’n oceaanreus. Als we geluk hadden voer majesteitelijk de Oranje langs, het beroemde schip dat – zoals de gidsen schertsten – de vorm van een vrouw had: bovenaan wat breder, smal in de heupen en dan weer breed uitlopend.
Teruggekomen bij de steiger van de rederij, stelde ik mij op bij de trap naar buiten, ontving de fooien (“ik ben een werkstudent,” had ik meegedeeld) die ik vervolgens met de schipper deelde. De eerste fooi was maatgevend. Daarom liet ik mijn moeder vaak meevaren, ik leende haar een tientje dat ze, als eerste uitstappend, mij schonk, erbij zeggend: “Dat hebt u wel verdiend, gids!” Het werkte fenomenaal.
Twee keer in de week moesten we ’s avonds “lichtjes varen” door de verlichte grachten. Dat was pure poëzie. Dat waren de avonden dat ik niet naar huis wilde en vaak tot diep in de nacht langs de grachten wandelde. Heel anders was de ervaring als we jeugdherbergbewoners moesten gidsen, die we op de Kloveniersburgwal ophaalden. We verdienden daar weinig aan. Daarom kozen we een route waarin alle bezienswaardigheden dicht bij elkaar gepropt waren. Zo stond het Rembrandthuis ineens tegenover het huis van de burgemeester. Soms schiet ik nog in de lach, denkend aan al die toeristen met hun foto’s van de verkeerde huizen op de verkeerde plek.
Mevrouw Kooij was van vroeg tot laat overduidelijk aanwezig bij de steiger. Ze leidde het bedrijf met haar emoties. In de huidige tijd met zijn mogelijkheden voor scholing zou deze vrouw een fantastische manager zijn geweest. Maar ze was niet makkelijk. Menig gids vond zijn Waterloo na een bietsovertreding. Ook haar dochter Greetje werkte bij de rederij. Mijn collega Rudi Falkenhagen – die later acteur werd en bekendheid kreeg als de boef Snuf in de tv-serie Pipo de Clown – had het idee dat mevrouw Kooij hem aan Greetje probeerde te koppelen. Ik weet niet of dat waar was. Ik ontdekte bij zijn te vroeg overlijden dat zijn vrouw Greetje heette en vroeg haar of zij dé Greetje was. Zij was het niet. Het kleine joch Appie, dat in 1958 bij de steigers rondscharrelde, is nu de eigenaar van de rederij.

Hans Franse
Oktober 2008