Muziek op zaterdag

07082008_CoverAls in het Concertgebouw de muziek van Tsjaikovski wordt gespeeld, denkt Coco Snoek altijd even aan de Javastraat.

Op een zaterdagmiddag speelden in de Javastraat twee mannen prachtige muziek. Gefascineerd luisterde ik er naar. Wat een muziek. Heel anders dan de orgelmuziek waarop we zondags in de kerk psalmen zongen. Veel later herkende ik hun deuntje: Tsjaikovski. Van mijn moeder, die het stel kende, moest ik direct doorlopen. Ik mocht er niet naar luisteren, want, waarschuwde ze mij, als de Grünen er aan kwamen, pakten ze die musici op en mij dan misschien ook wel. Dan brachten ze ons naar de Euterpestraat, waar het heel erge was.
Waarom dat was en hoe erg het erge was, zou ik later als ik groot was wel begrijpen.

De communist speelde piano, de jood viool. De kleine gedrongen Geige-man streek zijn vioolstok over de snaren kapot; de draden hingen erbij. Zijn vingers dansten en trilden van boven naar beneden over de staart van het instrument. De pianist speelde met lange driftige vingers op een zwarte piano die wiebelig in een handkar tegen de stoepgoot stond. Ik negeerde mijn moeders verbod; ik kon er niet voorbij komen.
Maar toen, midden in het spel gooiden twee oplettende omstanders een bruin zeildoek over de piano en duwden de kar weg. Voor ik het doorhad was de pianospeler verdwenen. De violist verstopte zijn muziekinstrument onder zijn jas en wandelde met de strijkstok in zijn rechterhand de andere kant uit. En toen zag ik ze ook: de lui van de Grünen. Weg was ik. Thuis heb ik er niets over verteld.
Direct na de oorlog stond eveneens op zaterdagsmiddag op de hoek van de Dappermarkt, waar ik voor mijn moeder rooie anjers met een takkie groen moest kopen, een groep Volendammers onder begeleiding van een schippersklavier liedjes te zingen. Een ieder zong uit volle borst mee. Het koperen centenbakkie ging van hand tot hand.
Weer enkele jaren later reisde ik, eveneens op de zaterdagmiddagen, met lijn 10. Hangend aan een lus zong ik volop met mijn medepassagiers mee, luid en duidelijk als waren we een geoefend koor. Iemand zette in en de rest volgde. Zij die de woorden niet kenden la-la-lal-de het mee.
Volwassen geworden ging ik, al was het volgens mijn moeder “niet voor ons soort mensen”, op een zaterdagmiddag voor het eerst naar een concert in het Concertgebouw. Dat was op uitnodiging. Tot op heden heb ik een abonnement op de zaterdagmatinee in het Concertgebouw. Bij de muziek van Tsjaikovski met een Geige denk ik altijd met weemoed aan die twee mannen van weleer.

Coco Snoek
Juli-Augustus 2008