Spelen langs de kade

052008_CoverIn september 1998 publiceerde Ons Amsterdam herinneringen van Paul Klumper aan zijn kleuterjaren op en rond de Nieuwezijds Voorburgwal. Tien jaar later schrijft Klumper, “inmiddels 80 jaar en nog steeds helder van geest”, over zijn tienerjaren.

Vaak hoor ik van vrienden die op het platteland zijn opgegroeid over hun jeugd met ravotten in schuren, appeltjes jatten, enzovoort. Dat was er bij mijn vriend en mij niet bij. Wij gingen op onze vrije woensdagmiddagen meestal naar het Havengebied, dat wil zeggen het gebied achter het Centraal Station, de De Ruijterkade, de Piet Heinkade en de Oostelijke Handelskade.
Dat zag er voor de oorlog heel anders uit dan tegenwoordig.

De Piet Heinkade was heel kort en ging via een brug over in de Oostelijke Handelskade. Waar nu de Passengers Terminal en het Muziekgebouw staan, was het hoofdkantoor van de Hollandsche Stoomboot Maatschappij (HSM). Het was een prachtig gebouw met twee torentjes, waarin ook een filiaal van het KNMI was gevestigd. De Oostelijke Handelskade liep heel ver door tot de verbindingsdam naar het Java-eiland. Dat laatste is nu volgebouwd met woonflats, maar zat toen nog vol met veembedrijven.
Op de Oostelijke Handelskade reden goederentreinen, die vanuit de vemen geladen werden met allerlei stukgoederen: koffie, thee, tabak, rubber enzovoorts. Wij renden als jonge jongens over de perrons en de loodsen in. Soms mochten we meerijden op de locomotief van een van de goederenwagons, die daar tot hele treinen werden samengesteld. Avontuur, avontuur!
Voor het kantoor van ‘de Hollandsche Boot’, zoals de HSM in Amsterdam genoemd werd, lag het IJ in zijn volle glorie open: vaak gingen wij daar zitten om te genieten van het uitzicht of te kijken naar de aankomst van de schepen aan de Javakade. We hebben er onder andere de ‘Oranje’ zien aankomen en vertrekken.
Eén à twee maal per jaar maakten we de ‘grote tocht’. Van onze moeders kregen we een rugzak mee met boterhammen. We liepen dan ’s morgens via Nieuwendam naar Schellingwoude, toen nog een echt dorp. Aan de overkant lagen tijdens de oorlog in het Buiten-IJ de watervliegtuigen van de Duitsers. Het mooiste was als de Engelsen overkwamen en het luchtafweergeschut van de Duitsers begon te vuren. Een daverend geknal. Wisten we veel van het gevaar…
Vervolgens gingen we via de Oranje-sluizen de IJdijk over naar Zeeburg. Op de Zeeburgerdijk woonden twee tantes van mij. We kregen er prompt een kop chocolademelk. “Zullen jullie voorzichtig zijn, jongens!” zeiden mijn tantes voor we weer naar de binnenstad liepen. “Ja hoor, tante”, zeiden we natuurlijk. Wat een brave kinderen waren we toch!

Paul Klumper
Mei 2008