Leven bij gaslicht

Hoe was het om aan het begin van de vorige eeuw op te groeien in een huis zonder elektra? Piet van Sloten (96) kan het met zijn fotografische geheugen nog goed navertellen. Een half jaar geleden stuurde hij ons een eerste bijdrage over zijn kinderjaren op en rond het noordelijkste puntje van de Tweede Kostverlorenkade.

Mijn leven is bij gaslicht en kaarslicht begonnen, in de winter van 1915/1916, op 17 februari, ’s avonds om half tien. “Wat een blank hoopje mens!”, riep huisarts Van Lier volgens mijn moeder uit. Mijn vader is naar de politiepost in de Agatha Dekenstraat gelopen toen de geboorte nabij kwam en vroeg daar de dokter te bellen. In 1916 had nog bijna niemand telefoon en openbare cellen waren buiten het centrum onbekend. De dokter kwam met zijn verloskoffertje in een koetsje. Zo’n huurrijtuigje werd ook wel ‘aapje’ genoemd.
In de voorkamer en in de zijkamer hadden wij hanglampen, die aan een haak aan het plafond hingen. Zij hadden een mooie porseleinen kap, waaraan ook nog glaspegeltjes hingen. De gloeikousjes werden beschermd door een glazen hals.
In de slaapkamer, waar ik geboren ben, was bij de schoorsteen een draaibare koperen stang waaraan een gloeikous met glazen beschermhals was gekoppeld. In de binnengang was net zo’n gasarmatuur als in de slaapkamer. Bij dichte deuren kon daar geen of nauwelijks daglicht komen. Net zo een was er ook nog in de keuken bij de schoorsteen, die daar nooit als stookplaats werd gebruikt; wij hadden ernaast een vierpitsgasstel.
In de keukenschoorsteen had mijn vader schappen gemaakt voor extra keukengerei. Door de keuken kwam je in de uitbouw, een slaapkamer. Daar herinner ik mij geen gasverlichting. Waarschijnlijk was er kaarslicht. Ik herinner me nog die lange blauwe pakken met ieder twaalf kaarsen.
In de binnengang was het ’s winters dus behoorlijk donker als alle deuren dicht waren. De wc was wel van meet af een modern watercloset, maar zonder licht. Zo kon het gebeuren dat ik – als twee- of driejarige op het potje gezet om een hoopje te doen – de deur naar de gang half open, met mijn linkerhand over de drempel streek. Mijn vader deed ondoordacht de deur dicht, zó snel, dat mijn pinknagel bekneld raakte. Aan schreeuwen geen gebrek. Wij meteen naar dokter Snoek op het Kwakersplein. Met een pincet trok hij de hele pinknagel eraf, een operatie die ik redelijk wist te doorstaan. Nog een maand of twee kon ik er gewichtig over doen.
Tot een jaar of vijf, zes sliep ik samen met mijn zusje in de uitbouw, waar een groot tweepersoons Engels ijzeren ledikant stond. Was het bij het huwelijk aangeschaft als logeerbed voor familie die in Zwolle en Nunspeet woonde? Hoe het zij, wij sliepen samen in een prachtig bed, waarvan ik de vier koperen knoppen bovenop de voor- en achterwanden het mooiste vond. Je kon ze er helemaal afschroeven om mee te knikkeren. Af en toe moesten ze gepoetst worden. De ruwe roodbruine stromatras steunde op een bed van gevlochten stalen banden. Daar bovenop lag dan nog een kapokmatras. De zijkant was een laag ijzeren hek, dat naar beneden geklapt kon. De poten waren voorzien van kleine wieltjes. Echt een ledikant waar een jong ventje als ik mee uit de weg kon.

Tekst: Piet van Sloten