Schoolkachels

Cover_OA_april_2009Naast het schoolbord en de lessenaar van de meester of juf, was vroeger ook de hoge ronde kachel een belangrijk element in ieder klaslokaal. J.A. Mösch (geboren in 1936) weet er nog alles van.

Tegenwoordig zijn bijna alle schoolgebouwen voorzien van centrale verwarming, misschien dat een enkel noodlokaal nog gasgevelkachels heeft. Dat was vroeger wel anders.
Op de Bilderdijkschool in de Potgieterstraat hadden we grote met kolen gestookte ‘salamanders’. Er stond een metalen scherm omheen, zodat kinderen zich niet konden branden aan de hete kachels. Op onze protestantse school waren de schermen zwart, maar bij de openbare school op de hoek van de Da Costakade hadden ze mooiere schermen, grijs gemoffeld met uitgestanste gaten.
Als de kinderen nat van de regen op school kwamen, mochten de jassen over het scherm heen te drogen worden gehangen, wat wel een beetje stonk... Als ’s winters de ijskoude kwartliterflesjes melk in een krat werden binnengebracht, werden ze meteen met touwtjes aan de binnenkant van het scherm gehangen om een beetje op temperatuur te komen.
De kachels gingen na 1 mei uit en werden pas weer aangemaakt na de kerstvakantie. Tijdens de oorlog gingen de scholen regelmatig dicht wegens brandstofgebrek. De kinderen werden dan naar huis gestuurd, waar het ook niet veel warmer was. Maar met een paar dekens om je heen en een mooi boek kwam je de koude dagen wel door.
Later in de jaren vijftig moest ik mijn moeder helpen met kachels verzorgen. Onze moeder hield een aantal Amsterdamse scholen schoon. Daarbij hoorde ook het aanmaken van de kachels, wat extra betaald werd. Gelukkig had zij een paar flinke zonen, die voor en na schooltijd mooi konden helpen. Mijn vier jaar jongere broer herinnert zich dat hij ’s morgens voor zevenen bij onze moeder achterop de fiets naar school gebracht werd om kolenkitten te vullen en naar de klassen te slepen. De Arbo-dienst zou nu direct alarm slaan...
Waar bestond dat kachelwerk uit? Eerst moesten de vastgekoekte sintels met een groot stootijzer uit de kachels gestoten worden. Als as en sintels afgevoerd waren, konden de kachels voor de volgende ochtend worden klaargemaakt. Daartoe werden hoogveenturven verbrokkeld en met één of meer vuurmakers onderin gelegd. Die vuurmakers bestonden uit houtkrullen, gedrenkt in hars. Vervolgens moest brandstof aangesleept worden. Uit het kolenhok op de begane grond of in de kelder werd cokes in grote kolenkitten geschept en naar de klaslokalen gesjouwd. Toch wel zo’n twee kitten per kachel.
’s Ochtends vroeg werden de kachels met een scheut spiritus aangemaakt. Wee, als er weinig wind stond en de kachels niet wilden trekken: dan moest er geblazen worden. En bij valwind moesten de ramen open om de rook te verdrijven. Als wij alweer naar onze eigen school waren, was moeder soms nog tot laat in de ochtend bezig om de kachels aan te krijgen en brandend te houden. Later werd ook antraciet geleverd, waardoor de kachels ’s nachts konden doorbranden en er ’s ochtends alleen maar cokes bij hoefde.
Tegenwoordig is dat allemaal makkelijker. Maar ook bij centrale verwarming kan de ketel defect raken of de olie op, en de gastoevoer kan stagneren. Als de elektriciteit uitvalt, zit je helemaal in de kou.

J.A. Mönch
April 2009