Knikkeren op het Staringplein

Cover_OA_feb_2009Mevrouw C.J. Kamps-Post (1922) bewaart warme herinneringen aan haar jeugd in de Brederodestraat.

Mijn Amsterdam was van mijn vierde tot veertiende jaar “de straat”. Die straat was de Brederodestraat achter de Overtoom. Daar was geen verkeer. Niemand had daar een auto. Toch zei mijn moeder “op de stoep blijven!” toen ik voor het eerst op straat mocht met pop en poppenwagen. Samen met mijn buurmeisje ging ik niet verder dan de lantaarnpaal, want dan konden we ons huis nog zien. Maar spoedig kwamen er meer kinderen en speelden we ‘vadertje en moedertje‘ of we hielden een optocht met poppenwagens, houten autopeds, vliegende Hollanders.
Toen we later, rond 1930, zo groot waren dat we mochten oversteken gingen we ballen tegen de muur van het Lutherse ‘besjeshuis’ op het Staringplein. De besjes waren blijkbaar zo doof dat zij er geen last van hadden. Zo speelden wij het klokkenspel, wat niets met een klok te maken had. We leerden met twee ballen, zelfs met drie gooien. Toen ik dat later aan mijn kleinkind liet zien, noemde zij mij een clown!
Een ander balspelletje had een liedje ‘rara wie heeft de bal, die mooie bal van goud’. Dan werd er een naam genoemd en die moest hem vangen. Ook was het zo nu en dan opeens knikkertijd: de tijd van vuile handen en nagels. We vonden altijd op straat wel een putje en dan begonnen we met een uppie. De jongens hadden soms ‘looie daaien’, metalen knikkers voor in de goot te spelen. Ook onze hinkelbanen versierden vaak de stoep, we hadden zelfs polsstokken om verre doelen te bereiken.
Op straat troffen wij natuurlijk ook grote mensen: bijvoorbeeld ‘Hand me tij’, de voddenman. Hij zal wel iets anders geroepen hebben maar wij verstonden dit. En er was een bedelaar die zich voortbewoog op een stoeltje. De ‘asman’ werd mijn vriend. Hij veegde de straat en de goot en had een fiets met een wagentje voor het vuil. Maar onze favoriet was toch de schillenboer met paard en wagen. Een keer heb ik ook op de bok gezeten, toen had ik mijn knie geblesseerd. En natuurlijk de Volendammer met vis en een lekkende kar van het smeltende ijs. Er waren ook Volendamse meisjes in klederdracht. Zij schrobden onze hinkelbanen weg.

Nooit ruzie
Groter geworden speelde het hele stel slagbal met rondjes, een soort honkbal. De lantaarnpalen waren de honken op het plein. Dat speelde ik nog mee, al zat ik op het lyceum in Zuid. Mijn moeder kwaad, want mijn mouw ging wel eens uit mijn jurk, trainingspakken hadden we niet.
Ruzie kan ik mij niet herinneren. Toch waren we verdeeld. Protestante kinderen gingen in het verlengde van de Brederodestraat op school. De katholieken in de Banstraat, een half uur lopen via de Overtoom, Kattenlaantje, Vondelpark en Van Eeghenstraat. Er waren daar twee scholen, één voor rijke kinderen, Dreesmann, Brenninkmeijer, enz, en onze school, de Jacobus-school, voor de dochters van winkeliers en ambtenaren.
Zo ging dat toen. We moesten schorten voor en lange kousen. De mouwen moesten ook langer. Uiteraard was het een meisjesschool. Maar we leerden wel goed rekenen en taal! En handwerken. Doe ik nog!
Onze straat is er nog, maar die staat nu vol auto’s en er staan fietsen op onze stoep.

Mevrouw C.J. Kamps-Post
Februari 2009