Tuinders en moffen bij het Surinameplein

092009_CoverOud-onderwijzeres Mieke Heijermans groeide op als dochter van een huisarts op het Surinameplein. Ondanks de grimmige oorlogsomstandigheden had zij er een gelukkige jeugd.

In 1937 werd ik geboren. Mijn wieg stond op het Surinameplein. Daar hield de stad op en begon de polder, met kleine kippebruggetjes, glazen kassen, roeibootjes en vriendelijke tuinders, die mij in de oorlog wortels en komkommers gaven.

Eens in het jaar kwam er kermis op het plein, met een rupsbaan, draaimolen, kop van jut, een eenvoudig slingerapparaat en … kaneelstokken!

Ik kreeg 50 cent mee en daar kon ik de hele middag mee vooruit. De draaimolenbaas liet tijdens de rust expres een kwast voor mijn neus bungelen, zodat ik die eraf kon trekken: dat leverde een extra ritje op.

Mijn vader was huisarts op het plein, net als dokter Soff (nummer 3) en dokter Bonke (nummer 5), en plakte menig pleistertje op de schrammen en schaafwonden van zijn wilde Miekje.

Ik voetbalde mee met de jongens, ik tolde, hoepelde, speelde houtje-pinkel (op een put op een houtje slaan met een stok en die dan ver weg meppen) en rende op elke suikerbiet af die van de grote wagens viel bij de bocht naar de Surinamestraat.

Ik had een heel fijne jeugd. Mijn moeder was een schat; eerlijk, rechtvaardig. Mijn vader zat een tijdje ondergedoken bij de katholieke nonnen in het Sint Jansziekenhuis in Laren en heeft daar een gehavende goudvis van mijn zusje met één steekje garen 'genaaid'. Ik was bang voor die stoute Duitsers, maar wrong me toch met mijn zus door de spijlen van het Vondelpark, om in de bomen te klimmen, ondanks het feit dat het Vondelpark was gesperrt door Duitse soldaten. Ik zag helmen en hoorde ze praten, maar we konden gewoon blijven ‘spelen’.

Op een dag zijn er een aantal verzetsmannen uit de Zocherstraat neergeschoten. Ik zat bij mijn moeder achterop de fiets toen ze al dood op de straat lagen. “Niet kijken, Miekje!", riep mijn moeder. Maar Miekje keek wel… en kon maanden niet slapen! Elk jaar leg ik bloemen bij het monument tegen het hek van het Vondelpark en ben blij dat om de kransen heen een extra beveiligingshek staat, zodat de bloemen met rust worden gelaten.

Net als mijn vader wou ik dokter worden, maar ik miste talent voor wiskunde, scheikunde en natuurkunde, dus werd ik schooljuffrouw en stond ruim 35 jaar voor de klas: een heel fijne tijd. Nog steeds wordt ik soms aangesproken door oud-leerlingen, die dan een kop koffie met mij drinken.

De naam Heijermans leverde me wel eens moeilijkheden op. (Grootvader was een broer van de schrijver van Op Hoop van Zegen.) Bij een opstel kreeg ik een keer te horen: ‘Dat had een Heijermans beter kunnen doen.’ Maar ik had een heerlijke schooltijd.

Mieke Heijermans

September 2009