Mijn Amsterdam: 'Nooit eentje jarig'

Bij hoge uitzondering publiceren wij hier eens een gedicht. In dat genre kregen we in de loop der jaren heel wat toegestuurd. Ook onderstaand gedicht, dat wij bij uitzondering hier een plekje geven. Het is een trefzeker, schrijnend tijdsdocument, over een armeluisschool op de Oostelijke Eilanden rond 1905. Onze abonnee Riny Kruisheer in Purmerend vond het in de nagelaten papieren van haar vader Aart ter Stege, die op 19 maart 1894 werd geboren in de Conradstraat.

Bij ons op de school was er nooit eentje jarig
Daar werd je ook nooit echt getrakteerd.
Daar werd nooit gezongen van “lang zal ze leven”
Dat lied werd bij ons op school nooit geleerd.
Wel liepen de meesten daar altijd op klompen
Met broeken en jurken van Steun meestal aan
En moesten ze vaak om hun honger te stillen
Van twaalf tot één naar een schooleetzaal gaan.
De huizen, dat waren daar allemaal krotten
Een stijl stukje trap met een vettig stuk touw
En kwam je naar binnen, dan stonk het naar uien
En meer van die luchtjes, je viel dan haast flauw.
De armoede doolde daar rond in dat buurtje
Die kon je daar vinden in elk gezin
En hoe ze ook vochten die buiten te houden
Zij kwam zonder sleutel steeds overal in.
En met de vakantie, o, laat me niet gillen,
Dan hingen we rond in de sloppen op straat
Een handjevol knikkers, een tol met een touwtje,
Je wist heel gewoon met je leegte geen raad.
Eens na een vreugdeloos lange vakantie,
Ik weet nog heel goed hoe of het toen was,
We kwamen de school in, gingen allen weer zitten
Maar één bank die bleef toen leeg in de klas.
Het bankie van Karel, ook eentje op klompen,
Een kleine bandiet met ondeugende toet,
Ik had hem voor kort nog met hengels zien lopen,
Hij zou toen gaan vissen, o, ik weet het nog goed.
De meester kwam binnen en vroeg ernstig om stilte
En bleef bij het bankie van Karel toen staan
Hij kon alle de armoe en leed uit het buurtje
En keek met verdrietige blik ons toen aan.
Hij sprak toen van Kareltje die was gaan vissen
Niet ver uit de buurt, in het Lozingskanaal,
Zijn jas en zijn pet werden later gevonden
En ook nog een klompje, niet ver van een paal.
De andere dreef op het smerige water
Wij allen begrepen toen wel wat er was
Men is toen gaan dreggen en heeft hem gevonden
Maar het bankie van Karel bleef leeg in de klas.

Aart ter Stege