Krakers, studenten en muizen

Mariëtte Ferwerda (geb. 1963) trok dit voorjaar met haar bejaarde vader naar Amsterdam om enkele van hun beider voormalige huizen te bekijken. Hun herinneringen en indrukken schieten heen en weer door de tijd. (Een langere versie langs meer adressen vindt u op onze website.)

In maart dit jaar voeren mijn vader en ik een lang gekoesterd plan uit: we maken een nostalgische wandeling door Amsterdam langs adressen waar een van ons heeft gewoond. Tegenwoordig woont mijn bijna 80-jarige vader in Voorburg en ik in het Gooi. Dus spreken we af in het Noord-Zuid-Hollandsch Koffiehuis tegenover het Centraal Station. Na een lekker bakkie koffie zijn we klaar voor onze verkenningstocht.
Per tram gaan we naar de Staatsliedenbuurt. Ik woonde midden jaren tachtig in de Joan Melchior Kemperstraat. Dat was in de tijd van de grote krakersrellen: ‘Geen woning, geen kroning!’ en de ‘zaak-Hans Kok’. De buurt was verloederd, maar het waren ook de jaren van het begin van de stadsvernieuwing. Ik woonde op nummer 40-huis. Mijn woning bestond slechts uit één smalle kamer van elf meter lang. Het huis was uitgewoond, als verwarming had ik alleen een oude gaskachel, maar wat wás ik er destijds blij mee! Ik weet nog dat op een dag een hoogbejaarde man aanbelde en mij vertelde dat hij hier als kind gewoond had, met zijn ouders en acht broers en zussen. Allemaal in die ruimte van 11 bij 2,5 meter!
Hoe anders blijkt alles nu. De buurt is gerenoveerd, de sociale-huurwoningen zijn grotendeels koopwoningen geworden, de woonruimtes zijn veelal opgesplitst in meerdere kamers en aan de buitenkant zijn de woonblokken gezandstraald en van nieuwe kunststof-kozijnen voorzien. Ook zijn de straten efficiënter ingericht, met insteek-parkeerplaatsen en fietsenrekken en zelfs hier en daar wat groen. Café Tramlijn Begeerte (vroeger krakers-verzamelpunt) is verdwenen, zien we. En op het Van Limburg Stirumplein staan nu nieuwe appartementen. Nou ja, nieuw? Ze zullen alweer een dikke twintig jaar oud zijn…
We nemen weer de tram, nu naar de Van Rensselaerstraat in de Postjesbuurt. In de jaren vijftig woonde mijn vader hier in bij een hospita; er was nog grote woningnood. Hij had een baantje in het Tropenmuseum en was verloofd met mijn moeder, een Amsterdamse (zelf kwam hij uit Dordrecht). Ze zochten naar een huis in de hoofdstad waar ze samen hun intrek konden nemen. Zonder succes. En dus kwamen ze terecht in Dordrecht waar ik geboren ben.
Als pa en ik voor nummer 8 naar boven staan te kijken, spreekt een jongen die net de voordeur uitkomt ons aan. Hij is student en woont er ‘antikraak’. We mogen binnen kijken. Behalve studenten woont in het rommelige huis ook een muizenkolonie, zo blijkt. Maar gerenoveerd is het wel. Op zijn oude zolderkamer vertelt mijn vader hoe koud het was toen hij er woonde. Maar hij vertelt het met warmte. We hebben allebei een topdag! Moet u ook eens doen, als het nog kan: op herinneringstocht met vader of moeder!

Mariëtte Ferwerda