Mijn Keizersgracht

Zijn vormende jaren brachten Robert Klaassen, een gereformeerde jongen uit Amstelveen, in de jaren zeventig in verschillende rollen steeds weer naar de Keizersgracht.

Van alle Amsterdamse grachten is de Keizersgracht voor mij veruit de belangrijkste. Het is de enige gracht die op verschillende momenten in mijn leven een belangrijke rol speelde.
Dat begon toen ik een opleiding ging volgen aan de Frederik Muller Academie voor Bibliotheek en Documentatie. Zelf volgde ik er de bibliotheekopleiding. Dat was op nummer 225, huis ‘De Koopermoole’, bij de Hartenstraat. Ik studeerde er van 1973 tot 1975. Ik kwam er elke doordeweekse dag. Een van mijn docenten was Kees Fens (Nederlandse taal- en letterkunde), die veel later zelf op dat stukje Keizersgracht zou komen wonen. Toen ik kort geleden langs het FMA-gebouw liep zag ik tot mijn blijdschap dat daar de brug over de Keizersgracht nu naar Kees Fens is genoemd. Om de hoek in de Hartenstraat kocht ik bij boekhandel Brinkman mijn studieboeken.
Helaas maakte ik hier ook voor het eerst kennis met de Amsterdamse criminaliteit. Als Amstelvener was ik gewend mijn fiets alleen met een ringslot  op slot te zetten. In de fietsenkelder onder dat grachtenpand moest dat toch voldoende zijn, dacht ik. Maar nee, twee keer werd mijn fiets daar gejat. Zo leerde ik dat in het centrum van Amsterdam drastischer beveiligingsmaatregelen nodig zijn: ik kocht mijn eerste kettingslot.
Na mijn studie kreeg ik een baan bij de Vrije Universiteit in Buitenveldert. Ook dat feit verbond me in historisch perspectief weer aan de Keizersgracht, want de VU is daar tot wasdom gekomen op nummer 160-166. Een paar jaar later kwam ikzelf op de Keizersgracht te wonen. In 1979 bewoonde ik nog een piepklein kamertje in de Oude Doelenstraat. Het was eigenlijk niet te doen. Ik werd gered door een bevriende binnenhuisarchitect. Hij bood me een verdieping aan van Keizersgracht 816, vlakbij de Amstel: een gemeubileerde huiskamer met keuken, een slaapkamer en badkamer, en erachter zelfs een stadstuintje.
Ik was dolgelukkig en heb er jarenlang met veel plezier gewoond. In de voorkamer genoot ik in mijn favoriete stoel van een goed boek, met uitzicht op de gracht. De slaapkamer was ruim en grensde aan de tuin. Mijn collega’s waren jaloers op me, omdat ik zo op stand woonde. Op zondagmiddag maakte ik steeds dezelfde wandeling: rechtsaf naar de Amstel, langs de rivier naar het Frederiksplein, via de Weteringschans naar het Leidseplein en door de Leidsestraat terug naar de Keizersgracht.
Nog iets bond mij aan de Keizersgracht: daar stond en staat ook de gereformeerde Keizersgrachtkerk, die ik wekelijks bezocht. Het was heerlijk om op een stille zondagochtend langs de gracht naar de kerk te lopen. In het begin moest ik erg wennen aan de nieuwe liturgie met veel liederen van Huub Oosterhuis. Maar het sprak me wel aan. Vooral de tafelgebeden. Ook dat er veel studenten waren, beviel me wel, net als de sociale betrokkenheid die er voelbaar was.
Meestal zat ik op dezelfde plek. Enkele rijen voor mij zat columnist Bert Klei, wiens stukjes in Trouw ik altijd zo leuk vond. Steeds meer moest hij zich inspannen om de gestencilde liedteksten en gebeden nog te kunnen lezen. Ik bewonderde hem zeer, maar heb hem nooit aangesproken. Op een gegeven moment werd ik zelf ook actief binnen de kerkgemeenschap. Staatssecretaris Bert Haars trad destijds hard op tegen asielzoekers. Samen met een ander lid van de kerk stelde ik een brief aan haar op, die dominee Eduard Pijlman namens de kerkenraad heeft verzonden.
Door al deze ervaringen betekent de Keizersgracht voor mij meer dan welke gracht of straat in Amsterdam ook.

Robert Klaassen