1970-1980

Krakers, studenten en muizen

Mariëtte Ferwerda (geb. 1963) trok dit voorjaar met haar bejaarde vader naar Amsterdam om enkele van hun beider voormalige huizen te bekijken. Hun herinneringen en indrukken schieten heen en weer door de tijd. (Een langere versie langs meer adressen vindt u op onze website.)

In maart dit jaar voeren mijn vader en ik een lang gekoesterd plan uit: we maken een nostalgische wandeling door Amsterdam langs adressen waar een van ons heeft gewoond. Tegenwoordig woont mijn bijna 80-jarige vader in Voorburg en ik in het Gooi. Dus spreken we af in het Noord-Zuid-Hollandsch Koffiehuis tegenover het Centraal Station. Na een lekker bakkie koffie zijn we klaar voor onze verkenningstocht.
Per tram gaan we naar de Staatsliedenbuurt. Ik woonde midden jaren tachtig in de Joan Melchior Kemperstraat. Dat was in de tijd van de grote krakersrellen: ‘Geen woning, geen kroning!’ en de ‘zaak-Hans Kok’. De buurt was verloederd, maar het waren ook de jaren van het begin van de stadsvernieuwing. Ik woonde op nummer 40-huis. Mijn woning bestond slechts uit één smalle kamer van elf meter lang. Het huis was uitgewoond, als verwarming had ik alleen een oude gaskachel, maar wat wás ik er destijds blij mee! Ik weet nog dat op een dag een hoogbejaarde man aanbelde en mij vertelde dat hij hier als kind gewoond had, met zijn ouders en acht broers en zussen. Allemaal in die ruimte van 11 bij 2,5 meter!
Hoe anders blijkt alles nu. De buurt is gerenoveerd, de sociale-huurwoningen zijn grotendeels koopwoningen geworden, de woonruimtes zijn veelal opgesplitst in meerdere kamers en aan de buitenkant zijn de woonblokken gezandstraald en van nieuwe kunststof-kozijnen voorzien. Ook zijn de straten efficiënter ingericht, met insteek-parkeerplaatsen en fietsenrekken en zelfs hier en daar wat groen. Café Tramlijn Begeerte (vroeger krakers-verzamelpunt) is verdwenen, zien we. En op het Van Limburg Stirumplein staan nu nieuwe appartementen. Nou ja, nieuw? Ze zullen alweer een dikke twintig jaar oud zijn…
We nemen weer de tram, nu naar de Van Rensselaerstraat in de Postjesbuurt. In de jaren vijftig woonde mijn vader hier in bij een hospita; er was nog grote woningnood. Hij had een baantje in het Tropenmuseum en was verloofd met mijn moeder, een Amsterdamse (zelf kwam hij uit Dordrecht). Ze zochten naar een huis in de hoofdstad waar ze samen hun intrek konden nemen. Zonder succes. En dus kwamen ze terecht in Dordrecht waar ik geboren ben.
Als pa en ik voor nummer 8 naar boven staan te kijken, spreekt een jongen die net de voordeur uitkomt ons aan. Hij is student en woont er ‘antikraak’. We mogen binnen kijken. Behalve studenten woont in het rommelige huis ook een muizenkolonie, zo blijkt. Maar gerenoveerd is het wel. Op zijn oude zolderkamer vertelt mijn vader hoe koud het was toen hij er woonde. Maar hij vertelt het met warmte. We hebben allebei een topdag! Moet u ook eens doen, als het nog kan: op herinneringstocht met vader of moeder!

Mariëtte Ferwerda

Twee winters in ons volkstuintje

Nog meer dan nu hadden jonge stellen vlak na de oorlog moeite een eigen woning te vinden. De volkstuin kon dan uitkomst bieden, schreef Ch.J. Kamps-Post, geboren in 1922, ons kort voor haar overlijden in 2009.

Amsterdam heeft nog 28 volkstuincomplexen, dus de volkstuinbeweging leeft nog! Bij ons thuis begon het tuinieren in oorlogstijd. Mijn vader kon een tuin huren en verbouwde daar aardappelen en groente toen de winkels niet veel meer te bieden hadden. Voor mijzelf bracht het complex zelfs onderdak. Dat begon in 1949. Mijn aanstaande en ik wilden trouwen, maar wij slaagden er niet in een betaalbare huurwoning of kamer te vinden.
Wij huurden een volkstuin en kochten het huisje dat erop stond. Nu konden wij van mei tot oktober daarin wonen. Dat had wel zijn beperkingen toen. Water moest in emmers gehaald worden. Er was geen riolering. De poepdoos moest geregeld geleegd worden. Butagas in flessen werd gekocht bij De Inkoop. Die winkel werd door een paar tuinders beheerd. Uiteraard was er geen elektriciteit, maar er waren batterijen voor de radio en een gaslamp voor licht. Koken deden we op gas, want van kinds af aan haatte ik de geur van petroleum.
Bij het onderhoud van de tuin verdeelden mijn man en ik de taken. Hij deed de heg, maaide het gras en deed de slootkant, ik de rest. Dat vond ik heerlijk en mijn man noemde mij ‘de mol’. We bestreden de muizen, mollen en konijnen. Maar toen ik eens vanuit het huisje een paard op ons gazon zag staan, wist ik dáár even geen raad mee, want van die dieren had ik geen verstand. En alle mannen in ons laantje waren naar hun werk. Met de aanwezige buurvrouwen slaagde ik erin een touw met een lus over zijn hoofd te gooien. Zo wisten wij hem door de heg op het paadje te krijgen. Meteen draafde het paard weg.
De echte woning liet op zich wachten. Daarom hebben wij daar in ons volkstuinhuisje ook twee winters gewoond. Dat mocht eigenlijk niet, maar we hadden geen keus. Het eerste jaar was heerlijk. Veel ijs en sneeuw: we voelden ons in Canada. De tweede winter was naar: veel regen en mist. Één keer die winter kwam mijn man helemaal ontdaan thuis: door de enorme storm was er een paal pal achter hem omgevallen. Zelf had ik de lamp in het huisje uit gelaten, omdat ik dacht dat het houten huisje het niet zou houden. Het zou in brand kunnen vliegen als ik de gaslamp aan hield. Wat moest ik dan met de twee kleintjes?
Eindelijk kregen we dan toch een woning, maar we hielden de tuin aan. Na achttien jaar kregen we er waterleiding en nog later ook riolering. Die laatste dankzij wethouder Jan Schaefer, die het bij ons maar een zootje vond...
Twee van mijn zonen hebben ook een tuin genomen. Toen ze nog jong waren, vroegen ze op de eerste lentedag al: “Wanneer gaan we naar de tuin?” Ze hadden daar de ruimte en veel vrienden. Laatst vertelde mijn schoondochter dat mijn zoon nog altijd heel vroeg in de lente vraagt: “Wanneer gaan we op de tuin wonen?”

Ch.J. Kamps-Post

Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken..">

Mijn Keizersgracht

Zijn vormende jaren brachten Robert Klaassen, een gereformeerde jongen uit Amstelveen, in de jaren zeventig in verschillende rollen steeds weer naar de Keizersgracht.

Van alle Amsterdamse grachten is de Keizersgracht voor mij veruit de belangrijkste. Het is de enige gracht die op verschillende momenten in mijn leven een belangrijke rol speelde.
Dat begon toen ik een opleiding ging volgen aan de Frederik Muller Academie voor Bibliotheek en Documentatie. Zelf volgde ik er de bibliotheekopleiding. Dat was op nummer 225, huis ‘De Koopermoole’, bij de Hartenstraat. Ik studeerde er van 1973 tot 1975. Ik kwam er elke doordeweekse dag. Een van mijn docenten was Kees Fens (Nederlandse taal- en letterkunde), die veel later zelf op dat stukje Keizersgracht zou komen wonen. Toen ik kort geleden langs het FMA-gebouw liep zag ik tot mijn blijdschap dat daar de brug over de Keizersgracht nu naar Kees Fens is genoemd. Om de hoek in de Hartenstraat kocht ik bij boekhandel Brinkman mijn studieboeken.
Helaas maakte ik hier ook voor het eerst kennis met de Amsterdamse criminaliteit. Als Amstelvener was ik gewend mijn fiets alleen met een ringslot  op slot te zetten. In de fietsenkelder onder dat grachtenpand moest dat toch voldoende zijn, dacht ik. Maar nee, twee keer werd mijn fiets daar gejat. Zo leerde ik dat in het centrum van Amsterdam drastischer beveiligingsmaatregelen nodig zijn: ik kocht mijn eerste kettingslot.
Na mijn studie kreeg ik een baan bij de Vrije Universiteit in Buitenveldert. Ook dat feit verbond me in historisch perspectief weer aan de Keizersgracht, want de VU is daar tot wasdom gekomen op nummer 160-166. Een paar jaar later kwam ikzelf op de Keizersgracht te wonen. In 1979 bewoonde ik nog een piepklein kamertje in de Oude Doelenstraat. Het was eigenlijk niet te doen. Ik werd gered door een bevriende binnenhuisarchitect. Hij bood me een verdieping aan van Keizersgracht 816, vlakbij de Amstel: een gemeubileerde huiskamer met keuken, een slaapkamer en badkamer, en erachter zelfs een stadstuintje.
Ik was dolgelukkig en heb er jarenlang met veel plezier gewoond. In de voorkamer genoot ik in mijn favoriete stoel van een goed boek, met uitzicht op de gracht. De slaapkamer was ruim en grensde aan de tuin. Mijn collega’s waren jaloers op me, omdat ik zo op stand woonde. Op zondagmiddag maakte ik steeds dezelfde wandeling: rechtsaf naar de Amstel, langs de rivier naar het Frederiksplein, via de Weteringschans naar het Leidseplein en door de Leidsestraat terug naar de Keizersgracht.
Nog iets bond mij aan de Keizersgracht: daar stond en staat ook de gereformeerde Keizersgrachtkerk, die ik wekelijks bezocht. Het was heerlijk om op een stille zondagochtend langs de gracht naar de kerk te lopen. In het begin moest ik erg wennen aan de nieuwe liturgie met veel liederen van Huub Oosterhuis. Maar het sprak me wel aan. Vooral de tafelgebeden. Ook dat er veel studenten waren, beviel me wel, net als de sociale betrokkenheid die er voelbaar was.
Meestal zat ik op dezelfde plek. Enkele rijen voor mij zat columnist Bert Klei, wiens stukjes in Trouw ik altijd zo leuk vond. Steeds meer moest hij zich inspannen om de gestencilde liedteksten en gebeden nog te kunnen lezen. Ik bewonderde hem zeer, maar heb hem nooit aangesproken. Op een gegeven moment werd ik zelf ook actief binnen de kerkgemeenschap. Staatssecretaris Bert Haars trad destijds hard op tegen asielzoekers. Samen met een ander lid van de kerk stelde ik een brief aan haar op, die dominee Eduard Pijlman namens de kerkenraad heeft verzonden.
Door al deze ervaringen betekent de Keizersgracht voor mij meer dan welke gracht of straat in Amsterdam ook.

Robert Klaassen