'Schweinhund!' roepen en snel wegrennen

Anneke Schut haar jeugd door in de Frans van Mierisstraat, waar ze in 1948 werd geboren. De weg naar de christelijke lagere school, het gerenommeerde Instituut Schreuder in de Van de Veldestraat, staat nog scherp op haar netvlies.

Wij woonden in het ‘nettere’ gedeelte van de Frans van Mierisstraat: tussen de Van Baerlestraat en de Johannes Vermeerstraat. Het tweede en derde gedeelte was in onze ogen van een heel ander kaliber. Mijn school – Instituut Schreuder – lag in de Van de Veldestraat.
Na een gezamenlijk ontbijt aan tafel met het hele gezin ging ik daarheen op pad: allereerst over het Johannes Vermeerplein, via een klein stukje Gabriël Metsustraat naar de Van Miereveldstraat. Daar stond aan de linkerkant de bunker, in gebruik als fietsenstalling van de OCMA-school (Opleiding Chr. Maatschappelijke Arbeid, Gabriël Metsustraat 7). We klommen er graag op.
Vervolgens passeerden we de Duitse ambassade. Dat vond ik als klein meisje heel spannend. Er was mij geleerd om daar heel hard “Schweinhund!” te roepen. Dat was heel stoer, begreep ik, al had ik geen idee wat het betekende. Als je dat geroepen had en er kwam beweging in de tuin, moest je heel hard doorlopen.
Aan het einde van de Van Miereveldstraat stond de Boerhaavekliniek, waar ik vaak buiten bezoekuur even langs mijn (jonge) oom mocht gaan die daar heel lang heeft gelegen. Nog altijd als ik er langs loop, kijk ik even naar ‘zijn’ kamer.
Bij de kliniek sloeg ik linksaf, over een strak voetpad dwars over het Museumplein. Daar bloeiden heel veel narcissen. Vaak lagen er omgeknakte bloemen te wachten op een beter lot. Dus gingen we op de terugweg naar huis bij het KLM-gebouwtje vragen of we die mochten meenemen. Nou, dat mocht altijd wel.
Aan de westkant van het Museumplein was het ‘kastanjepleintje’, zoals wij het noemden. Daar werden in de herfst hutten gemaakt van de ongelooflijke hoeveelheid takken en bladeren. Ook speelden we er regelmatig het spel ‘1, 2, 3 4, 5, 6, 7…, wie mag ik een kusje geven?’. Uiteraard ging dit met niet geheel gesloten ogen. Onder die kastanjebomen heb ik veel tijd doorgebracht.
In de Van de Veldestraat was ook de Cornelis Vrijschool. Die had een eigen speelplaats. Ze waren niet confessioneel, maar hielden net als de roomsen wel van rituelen. Wij van de christelijke school vonden de ‘palmpasentakken’ waarmee kinderen van die school op de zondag voor Pasen door de buurt trokken maar eigenaardig en hadden ook altijd ruzie met ze. Het was een kale-kakschool, vonden we.
Wat ik me ook nog kan herinneren van het Museumplein is dat er op een gegeven moment een demonstratie was bij de Amerikaanse ambassade. Waarom en wanneer weet ik niet meer, alleen dat we met heel veel grammofoonplaten moesten gooien, die over een grote afstand door de lucht zeilden. Prachtig was dat – maar waar het nou over ging? Wie het weet, mag het zeggen!

A.C.E. Schut