Godsiemijne, wat een oma!

Stadsdeelvoorlichter en journalist Serge Markx (geb. 1964) koestert warme herinneringen aan zijn grootmoeder. Amsterdamser worden ze niet meer gemaakt, vandaag de dag.

Ik werk voor stadsdeel West aan het Bos en Lommerplein. Op weg naar huis fiets meestal ik door de Jan Pieter Heijestraat in Oud-West. Op de kruising met de Borgerstraat denk ik altijd aan mijn oma. Zij groeide daar op in de jaren tien van de vorige eeuw. Haar vader was diamantbewerker; ik ken hem vooral van de uitspraak: “Ik heet Gottlieb, zeg maar Hein.”
Mijn grootmoeder lag twee jaar met tbc in de kleine voorkamer; ze kroop volgens een arts door het oog van de naald. Ze trouwde met mijn opa en stichtte in de jaren dertig een gezin. Mijn grootvader raakte in de crisis werkloos en bleef dat negen jaar. Daarna werkte hij zich met ware titanenkracht op tot de directeur van een bedrijf en kreeg veel verantwoordelijkheden. Mijn oma vond dat drukke bestaan maar zozo.
Veel later leerde ik oma goed kennen. Omdat mijn ouders geen huis konden vinden, woonden wij vanaf 1971 in de Valeriusstraat bij haar in huis; zij op de eerste verdieping en wij op de begane grond. Mijn ouders studeerden eindeloos en leefden van kleine baantjes. Er was weinig geld maar veel plezier. Vaak hadden ze vrienden over de vloer. Er werd eindeloos gepraat, keihard popmuziek gedraaid en op vrijdagavond woest gedanst. Soms vroeg mijn oma of het wat zachter kon.
Wij hadden geen televisie. Maar mijn vader –haar zoon – wilde wel altijd de programma’s van Wim T. Schippers zien. Dus als Van Oekel’s Discohoek werd uitgezonden, liepen wij naar boven. Dan keken wij op oma’s bank naar die waanzinnige Sjef van Oekel. Mijn vader huilde van het lachen, terwijl mijn oma nijdig met haar armen over elkaar zat – zeker als er blote mensen te zien waren. Daarom weken we later uit naar mijn oom en tante, die om de hoek woonden.
Toch kon mijn grootmoeder erg lachen om mijn vader. Als hij een spervuur van grappen op haar losliet sloeg ze zich op de knieën van de pret en zei: “Godsiemijne, wat een portret!” En als ze haar tranen van het lachen wegveegde, besloot ze hoofdschuddend met: “Wat is het toch een eigenaardige jongen.” Ze gebruikte ouderwetse Amsterdamse uitdrukkingen, zoals ‘Tweedehands is andermans ellende’, ‘Praatjesmaker zonder centen’, ‘Brand is erger’ en ‘Zó, weet je het óók!’
Pas toen ze stokoud werd verhuisde ze naar verzorgingshuis Schinkelhaven aan de Kostverlorenvaart. Daar bezocht ik haar bijna elke week. Ze verbaasde de verpleegsters door zo fanatiek de Internationale te zingen dat er een siddering door het gebouw ging. Toen het geestelijk slechter met haar ging, bleven de herinneringen aan West. Ze vertelde genietend hoe ze met haar moeder een haring at op de Ten Katemarkt. Of hoe ze in een roeiboot voer over de sloten tussen de weilanden achter de Kostverlorenvaart, ter hoogte van de huidige Postjesweg. Hoewel ze als tiener ternauwernood de tbc overleefde en doodsangsten uitstond in de oorlog, werd ze bijna 100. Nu ligt ze op Zorgvlied aan de Amstel