1960-1970

Wiskundeleraar eisde dat je de bordenwisser terugsmeet

Noord groeide en kreeg in 1959 dan eindelijk een eigen hbs. Eerst nog als dependance van het Ir. Lely Lyceum, al snel zelfstandig als het Leeghwater Lyceum. Alie Rommers-Jong zat er in de beginjaren op school. "Eens betrapten we enkele leraren erop dat ze ons 'allemaal achterbuurtkinderen' noemden."

Tot 1959 was er in Noord behalve de mulo geen middelbaar onderwijs. Met de fiets de pont over 'naar de stad' was altijd een hele expeditie geweest, zes keer week (op zaterdag was er ook school). Maar in dat jaar begon het lyceum met twee klassen en een paar noodlokalen aan het Van der Pekplein als dependance van het Ir. Lely Lyceum op de Keizersgracht. In 1960, toen ik op de hbs begon, kwamen er vier lokalen bij met drie eerste klassen, toen samen zo'n 150 leerlingen. De school ging voorjaar 1962 zelfstandig verder als Leeghwater Lyceum en groeide als kool. Met de invoering van de Mammoetwet in 1968 ging het lyceum op in de Scholengemeenschap Noord (later Bredero Lyceum, nu Bredero College).
In die eerste jaren kwamen leraren van het Lely Lyceum naar Noord om les te geven. De meesten deden dat op de fiets via de Tolhuispont, een enkeling kwam met de auto. De leraar Engels (Holst) had zo'n driewielig pruttelautootje. Als een lesuur niet na de pauze begon, moesten we wachten op de leraar, die we dan zwetend, soms drijfnat zagen aankomen. Eens betrapten we enkele leraren erop dat ze ons "allemaal achterbuurtkinderen" noemden.
Er waren bijzondere types onder die leraren. Rector Kes gaf ons samen met zijn hond aardrijkskunde. Tekenleraar Scholten praatte met een sigaar in de mond waarvan de punt altijd werd afgekloven tot een kwast. Nog meer andere namen komen weer voorbij: Poletiek (geschiedenis), Bollen en Jurgens (biologie), Claus (natuurkunde), Tjin a Djie (ook Engels), enzovoorts.
Wiskunde kregen we in de loop der jaren van twee leraren. Van de een (Bruinsma) moesten we alles vergeten wat we van de ander (Vogelsang) in twee jaar hadden geleerd. Er klopte weinig van, zei hij. Vogelsang was een ex-KNIL-officier met een ordeprobleem. Hij eiste dat je de door hem gegooide bordenwisser terugsmeet. Bovendien zag hij nooit dat er werd afgekeken, zelfs niet als hij de klas in drie rijen verdeelde met verschillende opgaven en ons door gaten in de krant bespiedde. Hij woonde in Rotterdam, kwam met de trein, nam de pont en bracht elke dag een blauw blikje mee naar school om Amsterdams kraanwater mee terug te nemen voor de thee thuis. Dat smaakte beter dan het Rotterdamse water.
Aan gymnastiek denk ik met weinig plezier terug. Veel faciliteiten waren er niet. We moesten voor de lessen naar diverse lagere scholen in Noord en soms naar een sportveld in Tuttifruttidorp (een buurtje in Tuindorp Oostzaan met 'fruitige' straatnamen, red.) of zelfs het Heiligewegbad in het centrum. Vooral dat zwemmen was niet populair, want dan kwam je 's middags op de terugweg met je natte kop op de pont in het spitsfietsverkeer terecht. Schaatsen op de Jaap Edenbaan weigerden we als er bij Schellingwoude een mooie baan op het Buiten-IJ lag.
Overblijven mocht alleen in de barre winter van 1962-1963. Sommige dorpen waren ingesneeuwd en we moesten toen lopend naar school, vaak op klompen om de voeten warm te houden. Fietsen kon niet. Van januari tot eind maart begonnen de lessen een half uur later.
In 1964 deed de eerste lichting hbs-b examen en in 1965 mijn jaar met één a-klas en twee b-klassen (met acht meiden, daar ben ik nu nog trots op).

Alie Rommers-Jong

Godsiemijne, wat een oma!

Stadsdeelvoorlichter en journalist Serge Markx (geb. 1964) koestert warme herinneringen aan zijn grootmoeder. Amsterdamser worden ze niet meer gemaakt, vandaag de dag.

Ik werk voor stadsdeel West aan het Bos en Lommerplein. Op weg naar huis fiets meestal ik door de Jan Pieter Heijestraat in Oud-West. Op de kruising met de Borgerstraat denk ik altijd aan mijn oma. Zij groeide daar op in de jaren tien van de vorige eeuw. Haar vader was diamantbewerker; ik ken hem vooral van de uitspraak: “Ik heet Gottlieb, zeg maar Hein.”
Mijn grootmoeder lag twee jaar met tbc in de kleine voorkamer; ze kroop volgens een arts door het oog van de naald. Ze trouwde met mijn opa en stichtte in de jaren dertig een gezin. Mijn grootvader raakte in de crisis werkloos en bleef dat negen jaar. Daarna werkte hij zich met ware titanenkracht op tot de directeur van een bedrijf en kreeg veel verantwoordelijkheden. Mijn oma vond dat drukke bestaan maar zozo.
Veel later leerde ik oma goed kennen. Omdat mijn ouders geen huis konden vinden, woonden wij vanaf 1971 in de Valeriusstraat bij haar in huis; zij op de eerste verdieping en wij op de begane grond. Mijn ouders studeerden eindeloos en leefden van kleine baantjes. Er was weinig geld maar veel plezier. Vaak hadden ze vrienden over de vloer. Er werd eindeloos gepraat, keihard popmuziek gedraaid en op vrijdagavond woest gedanst. Soms vroeg mijn oma of het wat zachter kon.
Wij hadden geen televisie. Maar mijn vader –haar zoon – wilde wel altijd de programma’s van Wim T. Schippers zien. Dus als Van Oekel’s Discohoek werd uitgezonden, liepen wij naar boven. Dan keken wij op oma’s bank naar die waanzinnige Sjef van Oekel. Mijn vader huilde van het lachen, terwijl mijn oma nijdig met haar armen over elkaar zat – zeker als er blote mensen te zien waren. Daarom weken we later uit naar mijn oom en tante, die om de hoek woonden.
Toch kon mijn grootmoeder erg lachen om mijn vader. Als hij een spervuur van grappen op haar losliet sloeg ze zich op de knieën van de pret en zei: “Godsiemijne, wat een portret!” En als ze haar tranen van het lachen wegveegde, besloot ze hoofdschuddend met: “Wat is het toch een eigenaardige jongen.” Ze gebruikte ouderwetse Amsterdamse uitdrukkingen, zoals ‘Tweedehands is andermans ellende’, ‘Praatjesmaker zonder centen’, ‘Brand is erger’ en ‘Zó, weet je het óók!’
Pas toen ze stokoud werd verhuisde ze naar verzorgingshuis Schinkelhaven aan de Kostverlorenvaart. Daar bezocht ik haar bijna elke week. Ze verbaasde de verpleegsters door zo fanatiek de Internationale te zingen dat er een siddering door het gebouw ging. Toen het geestelijk slechter met haar ging, bleven de herinneringen aan West. Ze vertelde genietend hoe ze met haar moeder een haring at op de Ten Katemarkt. Of hoe ze in een roeiboot voer over de sloten tussen de weilanden achter de Kostverlorenvaart, ter hoogte van de huidige Postjesweg. Hoewel ze als tiener ternauwernood de tbc overleefde en doodsangsten uitstond in de oorlog, werd ze bijna 100. Nu ligt ze op Zorgvlied aan de Amstel

'Lekker vlot, jongen'

Wat doet een jongen van achttien als hij met de auto pakjes rondbrengt voor zijn vaders textielgroothandel? Die jakkert er op los door de stad, zoals Hans Trompetter eind jaren zestig. Tot het misgaat.

De Zwaluw komt. Vader wil dat ik het ‘hondenhok’ wegzet, de Renault 4, ook al heb ik nog geen rijbewijs. Dat haal ik een jaar later in 1967 op zijn kosten, ‘voor de zaak’. De Witte de Withstraat staat sinds een paar jaar vol met auto’s. Nergens plek. De truck van Van Gend en Loos staat even later op de tramrails met textiel van De Zwaluw uit Boxtel en lijn zeven moet wachten tot alles uitgeladen is.
Het hele gezin moet helpen sjouwen. Alle dozen ondergoed worden in de kelder uitgepakt, als bestellingen weer ingepakt en vervolgens door de hele stad afgeleverd bij de klanten van vaders groothandel op nummer 20-huis, waar wij wonen. ‘J. A. Trompetter Textiel-engros’ staat op het emaillen bord op de deur. “En gros”, zeggen de mensen. “An cro”, zegt vader in zijn mooiste Frans.
Ik bezorg pakjes met het ‘hondenhok’, mag in het weekend pa’s Ford Taunus 17 M meenemen en zoef met mijn vriendinnetje door de stad. Zaterdagochtend mag ik ermee naar school.
Amsterdam is nog een paradijs voor een beginnend automobilist van achttien jaar zoals ik; nergens vrije trambanen of eenrichtingsverkeer. Niks woonerven, obstakels of 30 kilometerzones. Geen flitsers. Wat een feest. Vrij baan voor de auto: een Leidsestraat om doorheen te zoeven, inhalen op de Ceintuurbaan en de weidse Overtoom. Een leeg Museumplein om de klinkers onder je banden te voelen roffelen met 90 – de kortste snelweg van Nederland.
Ik neem de tijd op die ik nodig heb om van de Dappermarkt naar West te komen; dertien minuten via Stadhouderskade en JP Heijestraat. Ik rijd met een volgeladen Renault 4 naar de Albert Cuyp. Stapvoets de markt op voor twee bestellingen. Dan pijlsnel door de Pijp naar de Jan Lievensstraat. Op naar Oost. Voor de Berlagebrug trek ik op naar 80. Gelukkig niemand bij de knipperbol. Verder naar de Jordaan, naar drie klanten van vader. Van de Linnaeusstraat tot de Willemsstraat kost me twaalf minuten als de stoplichten in de Marnixstraat meewerken. Via het Leidseplein. Ik ga nooit over de grachten, want daar strand je te vaak op een vrachtwagen. Zo bereik ik razendsnel de Jordaan. Auto met twee wielen op de stoep en uitladen. Binnen zes minuten weer thuis. Vader is trots. “Lekker vlot, jongen” zegt hij. Hij moest ’s weten. Zijn zoon rijdt als een gek door de stad en neemt teveel risico.
Op een gure novembermiddag langs het Oosterpark gaat het mis. Vanuit de Wijttenbachstraat rijd ik met 70 richting OLVG. Ik wil die dertien minuten verbeteren. Dan moet een fietser uitwijken, ik trek aan mijn stuur en raak in een slip. Ik glij richting tram aan de andere kant van de straat, schuif voorlangs en bots frontaal op een Fiatje, waarin twee oude dames, die door de brandweer uit het wrak moeten worden gezaagd.
Ik heb er ruim 40 jaar later nog spijt van. Sindsdien rijd ik rustig. Het kan niet meer.

Hans Trompetter
April 2014

Joegoslaaf met klappertjespistool

De Admiralenbuurt van de jaren zestig was voor kinderen bepaald geen saaie buurt, herinnert zich Rein Valk (geboren in 1962). Van 1963 tot 1970 woonde hij in de Marco Polostraat, hoek Vancouverstraat. Daar woonde nog maar één ‘buitenlander’: ‘de Joegoslaaf’.

Ons huis was klein en balkonloos, maar wel met twee erkers en een ruim uitzicht tot voorbij de Erasmusgracht. De buurt tussen de Jan van Galenstraat en de Jan Evertsenstraat, gebouwd in sobere stijl van de Amsterdamse School, was in die jaren nog een echte Amsterdamse arbeidersbuurt met veel levendigheid.
Naast ons huis was bijvoorbeeld een smid. De felle vlam van zijn lasapparaat gloeide nog urenlang op ons netvlies. Om de hoek was een groenteboer en onder ons een slager. In de straat haalde ik met vriendjes oud papier op, dat we naar de papierman brachten. Hij woog de stapels op een grote weegschaal en gaf er een paar stuivers voor. En dan renden we daarmee naar snoepwinkel Het Stuivertje, op de hoek van de Vancouverstraat en de John Franklinstraat. In mijn herinnering was in onze buurt niemand rijk. Wij kregen pas halverwege de jaren zestig een auto (Volkswagen Kever), koelkast en zwart-wittelevisie.
Het Erasmuspark aan de overkant van de Jan van Galenstraat was voor ons nog geen vijf minuten lopen. In mijn herinnering was het enorm groot, met onder meer een geweldige zandbak. Natuurlijk besefte ik helemaal niet dat het park (in deze vorm) gloednieuw was, opgeleverd in 1961.
Onbetwist hoogtepunt was de jaarlijkse kermis tegenover de Markthallen in de Jan van Galenstraat. Omdat mijn moeder als vrijwilliger bij de EHBO-post werkte, kregen wij vaak vrijkaartjes voor attracties. Feest was het ook als we met school weleens Laurel & Hardyfilms gingen kijken in het Hallentheater, één van twee bioscopen die de buurt toen nog rijk was. De andere was West End in de Jan Evertsenstraat.
In de jaren zestig kenden we in ons buurtje slechts één buitenlander: ‘de Joegoslaaf’. Op oudejaarsavond stond hij met zijn klappertjespistool op het balkon van zijn woning boven  garage Nierop te knallen. Daarnaast in de Vancouverstraat lag onze kleuterschool De Klimop. Vaak klommen we over het hek en bouwden hutten in de kersenboom van de school. In december liepen Sint en Pieten over het dak van de lage uitbouw aan de Admiralengracht. Op onze laatste kleuterschooldag gingen alle kinderen verkleed als cowboy, heks of toverfee per rondvaartboot naar Artis. De stap naar de‘grote’ school was klein: die stond aan de overkant in de Vancouverstraat.
De Marco Polostraat werd eind jaren zestig opnieuw bestraat. De hele straat veranderde die zomer in een gigantische zandbak. We bouwden forten van de straatstenen die overal lagen opgestapeld; er was geen groter plezier denkbaar. Ook de vele autowrakken die in die jaren nog regelmatig voor lange tijd langs de weg stonden, waren een dankbaar speelobject.
Begin 1970 verhuisden we naar de Rivierenbuurt. In juli 1985 is ons oude huis (Marco Polostraat 291) ontploft. De bewoners roken gas, gingen met een aansteker op onderzoek uit en vonden het  lek – helaas. Waar ik mijn jeugd doorbracht staat nu nieuwbouw.

Rein Valk

Mijn Amsterdam EXTRA: Oma's Westerstraat-huis nu in Arnhem!

Bij ons in de Jordaan

Vaak liep ik, docent Nederlands als tweede taal en inburgering, met mijn leerlingen door het Openluchtmuseum in Arnhem. Een leuke manier om deze mensen, die in een andere cultuur zijn opgegroeid, te laten zien hoe Nederland er vroeger uitzag en hoe het er hier ooit aan toe ging. Maar de reden waarom ik afgelopen 3 april het Openluchtmuseum bezocht, was een andere, en wel een heel bijzondere...

Laat ik bij het begin beginnen. Als kind logeerde ik graag bij mijn oma ‘in de grote stad’: Oma woonde in de Amsterdamse Westerstraat, hartje Jordaan, nog in hetzelfde huis waar mijn vader in 1931 geboren was. Oma woonde op één hoog; onder haar huis bevond zich het voorste gedeelte van de koffie- en pindabranderij van de familie, die mijn oom en zijn neef runden in de jaren dat ik er kind aan huis was.
In 1971 overleed Oma, en toen geruime tijd later ook de familiefirma ophield te bestaan, werd het huis verkocht. Ik kwam nog wel eens in de Westerstraat, keek dan met weemoed naar het grote raam op één hoog, waardoor ik altijd graag naar buiten gekeken had, vooral op maandagmorgen als er markt was.
Op een dag in 2001 wist ik even niet wat ik zag: Oma’s huis bleek afgebroken! Toch een gek idee, dat ik nu echt nooit meer binnen zou staan en door het raam zou kijken...
Een jaar of drie geleden las ik het in de krant: twee panden die in de Amsterdamse Westerstraat waren afgebroken en zorgvuldig bewaard, zouden nu worden opgebouwd in het Arnhemse Openluchtmuseum. Er stond een foto bij en er was geen twijfel mogelijk: het ene was Oma’s huis!
Afgelopen juni kwam ik toevallig met ons personeelsuitje terecht bij het Openluchtmuseum in Arnhem. Mijn collega’s en ik zaten op een terras met uitzicht op een schutting, waarop je afbeeldingen zag van ‘de Jordaanpandjes’: een tekening van hoe het ging worden en een oude foto van hoe het geweest was. En op die foto van vroeger zagen we de naam Baljet nog duidelijk zichtbaar boven de branderijdeur staan!
Mijn vader nam contact op met het museum en is daar een middag geweest om informatie te geven. Op grond van zijn aanwijzingen en foto’s zijn de smeden van het museum nu nog doende de huisdeur in haar oude staat terug te brengen, met een ijzeren vlechtwerk voor de ruit.

We waren blij met de uitnodiging voor 3 april: de opening - door koningin Beatrix - van de Jordaanpandjes en enkele erachter schuilgaande, van historische belang zijnde krotten, ter gelegenheid van de viering van 100 jaar Openluchtmuseum. We gingen er met ons drieën heen, mijn ouders en ik, en hadden een geweldige dag! De zon scheen, de koningin arriveerde, er waren toespraken en vele hoogwaardigheidsbekleders... Maar ons moment kwam toen we naar buiten gingen, naar ‘de Westerstraat’. Daar stond, naast het weiland van de lakenvelders en de molen, Oma’s huis, in vol ornaat.
Toch was het, met name voor mijn vader, ook even slikken... De huizen zijn ten opzichte van elkaar van plaats verwisseld, om redenen die ik hier even buiten beschouwing laat. En waar het voorste deel van de branderij gezeten had, huist nu een postkantoor: ING is één van de sponsors, zodat mijn vader een uithangbord van de PTT kon fotograferen op de plek waar eens de familienaam te lezen stond.
Maar al snel werd ook hij opgenomen in de feestvreugde: voor het pand werd een stukje Jordaanmusical opgevoerd: “De Jantjes” met Willeke Alberti. Niet echt ‘ons soort’ muziek... Maar ik blèrde voluit mee: “Bij ons in de Jordaan!” En mijn vader zei geëmotioneerd: “Daar staat Willeke Alberti te zingen op de stoep voor mijn vaders huis!”
De panden werden officieel geopend en bezichtigd door de koningin, daarna mochten wij naar binnen... ACH! De kleine glas-in-lood-versieringen bovenin de ramen. Nooit meer gezien, nooit meer aan gedacht, en zó bekend en vertrouwd! En mijn vader... Daar stond hij op zijn 80-ste... Alle mensen met wie hij in dit huis geleefd heeft, zijn dood: zijn vader, zijn moeder, zijn oudere broer... En HIJ stond daar op de plek die ‘zijn kamertje’ geweest was. In Arnhem.

Wine Baljet (Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.)