De staart van de Prinsengracht

Nico Olij (geb. 1916) was de zoon van een schoenmaker dichtbij het eind van de Prinsengracht. Zo leerde hij de artistieke en economische elite van Amsterdam kennen.

Mijn vader was schoenmaker op de Prinsengracht bij de Utrechtsestraat. Een van zijn klanten was de bekende schilderes Lizzy Ansingh (1875-1959). Ik kende nog heel wat andere prominenten die op de Prinsengracht tussen Reguliersgracht en Amstel woonden, al was het maar van horen zeggen. Zo ook haar zwager de schilder Bart Peizel (1887-1974), al had ik hem nooit ontmoet of een schilderstuk van hem gezien. In februari 1965, toen mijn vader 80 jaar werd, kreeg hij een speciaal voor hem getekend vrouwtje in hoepelrok met het onderschrift:
“O mens, wat zijt gij goed voor mij
Ik dank U diep ontroerd en blij.”
Veel indrukwekkender voor mij als peuter was in 1919 een wachtmeester die op een in mijn ogen reusachtig paard schoenen of laarzen bracht om gerepareerd te worden.
We woonden op Prinsengracht 788. Achter de werkplaats in de gang naar de keuken was een wc met waterspoeling. De fecaliën werden rechtstreeks naar de gracht afgevoerd. Pas na 1920 kwam er riolering. Mijn grootouders in de Noorderstraat hadden helemaal geen wc. Die deden hun behoefte in een emmer in een hokje achter het huis, met kranten als closetpapier.
Op nummer 784 woonden de twee orthodox-joodse dames Van Nierop. Mijn ouders gingen daar op de vrijdagavond tegen zonsondergang het licht aansteken, omdat zij op sabbat geen werk mochten verrichten. Met Pasen kregen wij matzes van de dames en tegen Sinterklaas mocht ik er mijn klomp zetten.
Op onze gracht waren nauwelijks gezinnen met kinderen. Wel kleine bedrijven: een pettenfabriek, een mangelvrouw, een drukkerij, een tandarts. Maar naast ons woonde op 786 de familie Teixeira de Mattos met een zoon en een dochter, die iets jonger waren dan ik. Mevrouw Teixeira had een hoedenatelier waar enkele meisjes werkten; de dameshoeden werden door meneer in Nederland en België verkocht.
Tijdens mijn lagereschooltijd speelde ik regelmatig met zoon Dirk op hun grote zolder en in het souterrain. Op Dirks verjaardag werd het atelier, dat de gehele eerste verdieping besloeg, ontruimd voor het kinderfeest. Er kwamen zo’n vijftien Joodse jongetjes. Ik was de enige christen die ook van de partij was. Eenmaal kwam er een goochelaar, een andere keer gingen we naar bioscoop Rialto, waar Peter Pan werd vertoond.
Voordat ik naar de ulo ging, verhuisden de Teixeira’s naar Den Haag, waar zij in de Spuistraat een hoedenzaak betrokken. Toen ik in 1939 als dienstplichtige op vliegbasis Ypenburg in Rijswijk werd geplaatst, kregen wij weer contact. Direct na de capitulatie in mei sprak mevrouw Teixeira de profetische woorden dat de overheersing van de Duitsers voor hen het einde zou betekenen. Inderdaad werd het echtpaar slachtoffer van de Holocaust. Zoon Dirk (1918-2003) wist gelukkig naar Zwitserland te ontkomen. Hij overleefde de bezetting en werd later compagnon bij het advocatenkantoor Houthoff Buruma.

[naschrift]
Nico Olij