Als broekie klopte ik ze allemaal

Voormalig Volkskrant-journalist Gijs Zandbergen hing aan de lippen van de Jordanese oud-wielrenner Henny Marinus (79) en tekende dankbaar zijn verhaal op over het begin van Marinus' wielerloopbaan.


"Mijn vader had een slechtlopend viswinkeltje in de Oranjestraat in de Jordaan. Hij was een goede voetballer geweest, maar ik deed liever aan wielrennen. En paar straten verderop had Jan Hijzelendoorn een paardenslagerij. Zijn vader had ook gekoerst. Dat gaf een band en daardoor kon ik zo nu en dan een gratis biefstukkie bij hem halen. Hij had me ook een paar wielen te leen gegeven, waarop ik als broekie kampioen van Amsterdam ben geworden. Dat was wat hoor, want in de jaren vijftig leefde het wielrennen enorm in Amsterdam.
Dat kampioenschap werd in 1957 gehouden op het Circuit van Zandvoort. De echte toppers reden op een RIH uit de Westerstraat, maar zo'n dure fiets kon ik niet betalen. Ik had een Joco uit de Marnixstraat. Daarop zaten zware wielen met van die dikke Franse banden. Die waren goed genoeg om op te trainen, maar je kon er geen wedstrijden op winnen. Hijzelendoorn heeft me toen, voorafgaand aan het kampioenschap, een paar lichte wieltjes met smalle bandjes geleend. Daar kreeg ik geweldig veel moraal van en klopte ik ze allemaal.
In 1960 ben ik prof geworden. Dat komt, de viswinkel liep dat jaar zo slecht dat ik tegen mijn vader zei: 'Ik word beroepsrenner, dan verdien ik tenminste wat. In mijn eerste wedstrijd in Vlissingen werd ik derde en met een paar premies erbij had ik f 250,- verdiend. Thuisgekomen, legde ik f 200,- op tafel: 'Hier pa, je hebt altijd zoveel voor mij gedaan. Gebruik dit geld voor de winkel.'
Ook kocht ik weleens een bankstelletje of een vloerbedekkinkje voor mijn ouders. En ik verdiende in die jaren goed geld, hoor. Vooral toen ik achter de grote motoren ging rijden. Op de Nieuwendijk had je kledingzaak Puck. Die man was gek van wielrennen en hij gaf mij altijd korting. Ik vroeg: 'Wil je die korting ook aan mijn vader en moeder geven?' 'Ja hoor, laat maar komen.' Zo konden mijn ouders en mijn broer zich ook zo nu en dan in het nieuw steken. Dat is jarenlang zo gegaan.
In 1969 ben ik met wielrennen gestopt en heb ik het winkeltje van mijn vader overgenomen. Ik betaalde een bedragje en zei: 'Als de zaken goed gaan, krijg je de rest erbij.' Ik ben gaan verbouwen. En wat denk je? Bij heropening moesten de mensen buiten op straat staan, zo druk was het.
Ik heb ook zaken veranderd. Zo verkocht mijn vader nooit op zaterdag vis. 'Want', zei hij, 'wat ik op zaterdag niet verkoop, moet ik maandag weggooien.' Ik ben toen op zaterdag toch maar wat kwakkies kabeljauw, schol en schelvis in de vitrine gaan leggen – en ik raakte ze allemaal kwijt. Zaterdag werd de beste dag van de week. Want op zaterdag liepen de bewoners van de Haarlemmerhouttuinen naar de markt op de Lindegracht. Dan namen ze de kortste weg door de Oranjestraat langs mijn winkel. Toen ik dat eenmaal doorhad, zette ik de oven een beetje hoger, zodat het op straat lekker naar gebakken vis rook. Zo bracht ik de mensen op een idee. Ik heb ze vaak horen zeggen: 'Even bij Henny een vissie kopen.'

 

Zie hier de oorspronkelijke lange versie van dit verhaal: http://www.onsamsterdam.nl/mijn-amsterdam/1950-1960/3445-mijn-amsterdam-extra-tussen-viswinkel-en-wielerbaan