Playeren met Miss Blanche

Grafisch ontwerper Jan Boterman woonde van 1946-1963 met zijn ouders en twee broers in de Zocherstraat. Hij maakte daar een boekje over, dat op 27 februari j.l. werd verkozen tot een van de ‘Best Verzorgde Boeken van Nederland’ in 2014 (www.bestverzorgdeboeken.nl). Hij schrijft over de geschiedenis van de Zocherstraat, haalt herinneringen op aan het gezinsleven en de gebeurtenissen op straat. Ook vertelt hij over de spelletjes buiten op straat en in het Vondelpark.

In het begin van de jaren vijftig was er nauwelijks autoverkeer in de Zocherstraat. […] De kinderen die aan het eerste pleintje (en in de rest van de straat) woonden, konden zowel na schooltijd als na het avondeten, naar hartelust buitenspelen. Bijvoorbeeld ‘putten’. Dit was een voetbalspel dat bijna dagelijks fanatiek gespeeld werd, vooral door mijn broer Lex en zijn voetbalvrienden. Twee putten in de goot […] fungeerden als doel. De put werd verdedigd met je voet, wie de put raakte kreeg een punt. Er werd gespeeld (‘gepingeld’) met een oude tennisbal waardoor, volgens Lex, “je voetbaltechniek werd bevorderd”. De bal mocht via de stoeprand worden gespeeld. […].

Voetballen op straat was eigenlijk verboden. Een agent op een fiets (kijk uit: een ‘juut’ of ‘kip’!) nam op een vrije woensdagmiddag een plastic bal van Lex in beslag en reed daarmee naar het politiebureau aan de Overtoom, hoe Vondelkerkstraat. Mijn moeder ging verhaal halen op het bureau en kwam even later terug met een veel mooiere bal.

Een ander spel dat door jongens in een portiek of op de stoep werd gespeeld was ‘playeren’, een populair kaartspel met lege sigarettendoosjes die we, in een tijd dat iedereen rookte, op straat vonden. Je speelde het spel met zijn tweeën. De voor- en achterkant van een leeg kartonnen sigarettendoosje van onder meer het Engelse merk Player’s (vandaar ‘playeren’), Chiep Whip of Miss Blanche werd doormidden geknipt of gescheurd waardoor vier delen (‘players’) overbleven. Elke jongen legde om de beurt een kaart neer op een stapel. Zodra de ‘player’ overeenkwam met de ‘player’ die boven op een stapel lag had je gewonnen en mocht je de stapel houden. Maar als de tegenpartij direct nog zo’n kaart kon opleggen ging het spel gewoon door. Sommige jongens maakten een ‘player’ met een wasknijper vast aan een spatbordstang van hun fiets, waardoor de spaken bij het rijden een ratelend geluid gaven.

Niet alleen de straat was ons domein, dat gold ook voor het Vondelpark. Al mocht je de grasperken, omrand met lage hekjes, niet betreden van de parkwachter.

Mijn vriendjes uit de buurt en ik gaven bepaalde bosjes van vlierstruiken namen: het Winnetou- en Old Shatterhandbosje. Hierin beleefden we, gewapend met pijl en boog (gemaakt van buigzame takken en gevlochten bast), de avonturen van onze helden, zoals beschreven door de schrijver Karl May. (De geur van vlierblad brengt me altijd terug in de tijd.) Ook maakten we (vredes)pijpjes: de pijpenkop van een uitgeholde kastanje en de steel van een doorgeprikt takje van een vlierstruik. Hierin rookten we oude bladeren die enorme hoestbuien veroorzaakten.

We bleven op straat spelen tot het eten klaar was. Dan verscheen mijn moeder in de deuropening van het balkon op driehoog, klapte een paar keer driftig in haar handen, riep ‘bovenkomen’, terwijl ze deze uitroep ondersteunde door haar hand dwingend naar boven te bewegen. Als we niet snel reageerden werd dit ritueel herhaald.

Op het moment dat ik op twaalfjarige leeftijd naar de middelbare school ging, was het buitenspelen voorbij. Huiswerk maken kreeg vanaf nu voorrang!

UIT: JAN BOTERMAN, ZOCHERSTRAAT 27'''. GESCHIEDENIS EN HERINNERINGEN 1946-1963, UITGEVERIJ BOVENKOMEN, 52 BLZ., € 14,50.